Legende

Bij het lezen van Gonzo, The Life of Hunter S. Thompson moest ik af en toe denken aan enkele andere schrijvers, zoals Ernest Hemingway, Truman Capote en zelfs Godfried Bomans. Wat zij gemeen hebben is de legende die al tijdens hun leven rond hun persoon ontstond – en hun werk op den duur overwoekerde. Zij werden populaire, publieke figuren, voortdurend aanwezig in de media, wat misschien wel het gevaarlijkste is wat een schrijver kan overkomen, tenzij hij zijn roem belangrijker vindt dan zijn werk.

Hun talent viel uiteen, de kwaliteit van hun werk daalde zienderogen. Zij moeten dat zelf gevoeld hebben, en het was dan ook niet verbazingwekkend dat Thompson, Hemingway en in zekere zin ook Capote een einde aan hun leven maakten. Schrijven was altijd hun leven geweest, wat viel er nog te leven toen er geen schrijven meer was?

Gonzo is een schrijnend boek. Het is opgebouwd uit louter interviews met mensen die vaak jarenlang in de nabijheid van Thompson hebben geleefd: zijn eerste vrouw, een zoon, zijn belangrijkste uitgever en tal van vrienden en vriendinnen. Zij maakten zijn bloei en zijn verval mee, je voelt bij velen de spijt dat zij de voorspelbare neergang niet hebben kunnen voorkomen.

In de jaren zestig en zeventig groeide Thompson uit tot een van de beroemdste journalistieke schrijvers van de Verenigde Staten. In een bijzondere, persoonlijke stijl schreef hij reportages voor het tijdschrift Rolling Stone over onder andere politiek en sport. Ik herinner me nog hoe gretig ik naar de kiosk liep om het nieuwste verhaal van Thompson over de Amerikaanse verkiezingscampagne van 1972 te lezen.

Literaire roem verwierf hij vooral met het (verfilmde) Fear and Loathing in Las Vegas, het hilarische relaas van een in drugs gedrenkte ontdekkingstocht door Las Vegas. Het is zijn beste boek, ook omdat hij hier de grens naar de tijdloze fictie durft te overschrijden.

Nog voor zijn veertigste was hij over zijn hoogtepunt heen. Het dagelijkse gebruik van grote hoeveelheden drugs en alcohol sloopte zijn talent. Er was op den duur een team van redacteuren nodig om de betere zinnen uit hem te persen.

„Het imago werd het belangrijkste”, zegt collega William Kennedy in Gonzo. „Ik geloof dat Hunter gevangen werd door zijn imago, en dat het zijn schrijven vervormde.”

Bij dat imago hoorde een wild, ordeloos leven, vol drank, drugs en vrouwen. Die boeken, ach, die kwamen vanzelf wel. Toen hij erachter kwam dat juist een vruchtbaar schrijversleven gebouwd is op ijzeren discipline, was hij fysiek en mentaal een wrak en een malloot, die zijn tijd verdeed met schieten, bommetjes maken en pesten. Hij kon alleen nog maar over zichzelf praten, zegt Kennedy.

De boeken over Thompson – dit is niet het eerste – zijn ook een soort requiem voor de euforische jaren zestig en zeventig. Culturele helden als Thompson moedigden excessief drugsgebruik aan. Gonzo bevat de beschrijving van een journalistieke bijeenkomst in de jaren negentig, waaraan president in spe Bill Clinton en Thompson deelnamen. Clinton veegde de vloer met Thompson aan toen het over drugsgebruik ging. Thompson had er niet van terug. Zijn tijd was al voorbij.