Langer in Uruzgan

Er is geen weg meer terug. Nederland blijft tot eind 2010 actief in Uruzgan voor de wederopbouwmissie van de International Security Assistance Force (ISAF).

Dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. De regering heeft immers maar een beperkt aantal van de vooraf geformuleerde eisen gerealiseerd. De bondgenoten in de NAVO hebben vooral politieke steun geboden, net als Nederland zelf bij de oorlog in Irak. Daar staat tegenover dat partner Australië ook onder de nieuwe sociaal-democratische regering de komende jaren in het zuiden van Afghanistan blijft. Bovendien legt de NAVO zich er op voorhand bij neer dat Nederland zijn leidende rol in Uruzgan eind 2010 opgeeft en zich daadwerkelijke terugtrekt.

In een serieus en bij vlagen hoogstaand debat gisteravond in de Tweede Kamer kreeg het kabinet instemming voor zijn beleid om in Afghanistan te blijven: niet alleen van regeringsfracties CDA, PvdA en ChristenUnie, maar ook van VVD en SGP. Met zeker 100 zetels is er een draagvlak van tweederde in de volksvertegenwoordiging.

Daarmee is de missie nog niet tot een goed einde gebracht. Een land dat ten oorlog trekt – die termen zijn helaas meer en meer van toepassing op de missie in Afghanistan – moet minimaal vier beleidslijnen op orde hebben. Ten eerste een concreet doel. Ten tweede zelfvertrouwen dat de middelen daartoe voor handen zijn. Ten derde een redelijke verwachting dat het zal lukken. En ten vierde een ‘exitstrategie’ als alles mislukt.

Met de eerste twee is niets mis. De andere laten wel te wensen over. De afgelopen jaren is van wederopbouw minder terechtgekomen dan het vorige kabinet had voorgespiegeld. Het is een illusie te denken dat in 2010 ineens wel her en der scholen en ziekenhuizen staan, die worden beschermd door integere ambtenaren en politieagenten. De ‘exitstrategie’ van het kabinet, namelijk het zaaien van de kiemen voor een burgerlijke bestuur, is dus veel gevraagd, misschien wel te veel.

Het is dan ook niet uit te sluiten dat de Nederlandse missie komende jaren vooral bezig is met een andere exitstrategie: het voorbereiden van het daadwerkelijke afscheid per 1 december 2010. Dat is al ingewikkeld genoeg. De Sovjet-Unie deed er ook ruim twee jaar over om zich uit Afghanistan terug te trekken. Met het oog op de exitstrategie van de Nederlandse regering is het goed dat er niet meer in zwart-wittermen over de Talibaan wordt gesproken. Het kan immers niet worden uitgesloten dat er met de tegenstanders zal moeten worden onderhandeld.

Intussen moet het kabinet erop hopen en ervoor ijveren dat de NAVO volgend jaar in Boekarest een deltaplan voor Afghanistan weet op te stellen. Dat is van het grootste belang. Uiteindelijk is de toekomstige betrokkenheid van de NAVO in het gebied fundamenteler dan die twee jaar die Nederland er langer blijft.