Een bizarre dierentuin

Fossielen in Naturalis tonen de fauna die ontstond na het uitsterven van de dinosauriërs.

Zo zagen de zoogdieren eruit die de plek van de dinosauriërs hadden ingenomen.

Een enkele kies of snijtand; vaak hebben paleontologen niet veel meer om uitgestorven dieren met een kop en staart te reconstrueren. Oude botten zijn zeldzaam, huid en haar welhaast onvindbaar.

Een unieke uitzondering is de Messelgroeve in Zuidwest-Duitsland, een vindplaats waarvan het museum Naturalis in Leiden tot 4 mei volgend jaar 125 fossielen tentoonstelt. Een subtropisch ecosysteem is daar met huid en haar bevroren in de bodem van een meer, in sediment dat 47 miljoen jaar geleden neerdwarrelde.

Fossiele reuzenmieren raakten tijdens hun paringsvlucht voor altijd gevangen. Er zijn levensechte krokodillen, schildpadden, vissen, vogels en slangen. Het bijzonderst zijn de zoogdieren: een vroege primaat, een zwanger minipaardje. Een ander beest huppelde rond als een kangoeroe, maar dan zonder buidel. En er zijn creodonten: vroege roofdieren die het later zouden afleggen tegen hond- en katachtigen. Moderne carnivoren waren ook al present, zij het van het formaat van een wezeltje.

Deze fossielen, opgegraven sinds het eind van de negentiende eeuw, gaven paleontologen voor het eerst een gedegen beeld van de zoogdieren die de plaats van de dinosauriërs hadden ingenomen. „Het venster is voor het eerst weer onbeslagen”, zegt Lars van den Hoek Ostende van Naturalis, gespecialiseerd in gewervelde dieren. „Je kunt je op tanden gebaseerde conclusies toetsen. Dat brengt soms verrassingen.”

Met oerwoudgeluiden en schemerig licht heeft Naturalis de sfeer van de oeroude jungle getroffen. Als een ingestort dak liggen de schubben verspreid over het skelet van de dubbelehondentandkrokodil (Diplocynodon darwini). Het is de eerste soort die al in 1875 is opgegraven uit deze intussen door Unesco beschermde vindplaats.

„Wij zeggen tegen elkaar dat deze verzameling het mooiste is wat we ooit in huis hebben gehaald”, zegt Van den Hoek Ostende. „Normaal vind je als paleontoloog hier een dijbeen en daar een scheenbeen. Hier vinden we de beesten compleet. Alles wat bij elkaar hoort, zit ook bij elkaar. Op de botten kun je de aanhechtingspunten van de spieren traceren. Dan kun je dus gaan reconstrueren hoe een beest zich heeft voortbewogen.”

In het sediment van het Zuid-Duitse meer zijn de dieren weggezonken en miljoenen jaren geconserveerd. Beroemd is een fossiel van een paardje, kleiner dan een herdershond: Palaeotherium. Zijn maag vol druivenpitten – alleen zichtbaar door een microscoop – getuigt van zijn galgenmaal. Van den Hoek Ostende: „Uit de tanden en kiezen van dit beest zou je concluderen dat hij vooral bladeren at. Dat het een druivenetertje was, hadden we uit zijn gebit niet kunnen voorspellen.”

Met de krokodillen en de schildpadden lijken de vleermuizen waarschijnlijk nog het meest op hun moderne verwanten. Misschien raakten de vleermuizen tijdens een duikvlucht bedwelmd in een bel koolstofdioxide die opborrelde uit het meer. De andere dieren in deze bizarre zoo zijn soms enigszins herkenbaar, maar wijken op cruciale punten af van moderne verwanten. De paardjes hebben meerdere tenen in plaats van één hoef. Er is een krokodil met duidelijk herkenbare maaltanden, eerder kenmerkend voor een planteneter. Duitse paleontologen hebben dit dier voor de grap afgebeeld met een bek vol gras. Van den Hoek Ostende houdt het erop dat deze krokodil schelpen kraakte, net als zijn moderne verwant de nijlvaraan.

De doorsnee bezoeker van ‘Verdwenen tropen van Europa’ zal moeite moeten doen om alles op zijn waarde te schatten. De foetus van het zwangere minipaardje is lastig te bespeuren. En hoe herken je het skelet van een miereneter? „Kijk”, zegt Van den Hoek Ostende. „Hij heeft een puntige snuit zonder tanden. En graafklauwen. De verwanten van deze reuzenmiereneter leven vandaag de dag in Zuid-Amerika. Hoe het dier ooit in Europa terecht is gekomen is een raadsel.

„Misschien is er op de een of andere manier toch een link geweest tussen de continenten. Zelf denk ik dat er toch een vorm van parallelle evolutie moet hebben plaatsgehad. In een vergelijkbare leefomgeving, met mieren of termieten als prooidieren, heeft zo’n dier dan toch een vergelijkbare oplossing gevonden. Hoe dan ook laat dit fossiel zien dat de wetenschap nog mysteries kent.”

De tentoonstelling ‘Verdwenen tropen van Europa’ is te zien in Naturalis, Darwinweg 2, Leiden. Meer informatie op naturalis.nl