Doof en blind

Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen. Vandaag: uitleg van docenten.

Ik heb nooit kunnen luisteren naar uitleg. Misschien is dit het gevolg van een trauma dat ik op de middelbare school heb opgelopen, maar waarschijnlijker is het dat mijn mislukken aldaar het gevolg is van diezelfde onmacht. Zodra een leraar iets begon uit te leggen, wachtte ik doof en blind tot het voorbij was, als een muis tussen de kaken van een kat. Alleen als hij een zijpad insloeg, liefst ingeleid door de zin: „dit hoeven jullie niet te onthouden”, haakte het zich vast in mijn geheugen. Als iemand voor zijn eigen plezier vertelde, onthield ik ieder woord.

Pas vele jaren na de middelbare school, waagde ik me weer aan een opleiding. Ik ging naar de schrijversvakschool, want ik wilde schrijver worden. Zenuwachtig en wantrouwig wachtte ik in mijn bank tot de les begon. De leraar kwam binnen en stelde zich voor als Ger Beukenkamp. Hij schreef op het bord: V1, V2 en V3. Ik zakte direct in.

„Je hebt drie V’s”, zei Ger. „De V van Volledig Ingelicht, de V van Voorspelling en de V van Verrassing. In het eerste geval weet de lezer precies evenveel als de personages, in het tweede geval weet hij meer en in het laatste geval minder.”

Ik keek naar mijn horloge, en toen naar de deur. Nog anderhalf uur.

Toen begon Ger Beukenkamp te vertellen: „Annie bezoekt haar man Piet in het ziekenhuis. De dokter komt binnen. ‘U gaat dood’, zegt hij tegen Piet. Einde.” Ger zweeg een moment. „Maar we kunnen dit verhaal ook anders vertellen. Annie komt in de gang van het ziekenhuis de dokter tegen. Die zegt: Ik heb slecht nieuws. Uw man gaat dood. Annie loopt de kamer binnen en gaat naast Piets bed zitten. Hij pakt haar hand en zegt: Lieverd, ik voel me zoveel beter! Als ik weer helemaal gezond ben, gaan we samen een weekje naar Ameland om onze huwelijksreis over te doen. Snikkend roept Annie: Maar Piet, je gaat dood! En dan zegt Piet met een glimlach: lieveling, dat weet ik ook wel.”

Ik luisterde met stijgende opwinding. De tweede versie was onmiskenbaar beter dan de eerste.

„In de eerste versie gaan wij gelijk op met Piet en Annie”, zei Ger. „Daar zijn we Volledig Ingelicht. Maar in het tweede verhaal hebben we Voorspelling met betrekking tot Piet. Tenminste, dat dénken we. En dan Verrast Piet ons door meer te weten dan wij.”

Dat was alles wat hij erover zei. Meer viel er niet te weten. We konden beter maar gewoon beginnen met schrijven, vond hij.

Voor Ger leken we geen leerlingen te zijn, maar medeschrijvers. Hij legde ons niets uit vanuit de hoogte, hij maakte ons deelgenoot van wat hij wist. We kregen maar vier lessen van hem. Toen had hij ons alles verteld wat hij wist, zei hij. „Maar moet ik dan niet allerlei boeken lezen?” vroeg ik verward.

Hij haalde zijn schouders op. „Je weet alles nou toch?”

Had ik maar zo les op de middelbare school gehad! Wat zou ik dan een geleerde vrouw zijn geworden! Nog altijd kan ik niet opletten. Tijdens de dansles wacht ik, doof en blind tot de leraar is uitgepraat. Maar als hij de passen voordanst, dans ik hem na. En zo vergaat het ook mijn eigen leerlingen: ik vertel het mijne, en zij doen – uiteindelijk, hopelijk – het hunne.