De vraag is óf we wel willen samenleven

nrc.next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (25) bespreekt elke week een dilemma.

Vandaag: hoe bepaal je welke waarden belangrijk zijn?

Welke waarden zijn belangrijk om goed met elkaar samen te leven? Die vraag kregen 528 Nederlanders van 18 jaar en ouder vorige week voorgelegd door Filosofie Magazine, in Het Grote Waardenonderzoek 2007.

De deelnemers werd gevraagd tien waarden te rangschikken: vaderlandsliefde, zelfbeschikking, fatsoen, vrije meningsuiting, tolerantie, gelijkwaardigheid, veiligheid, solidariteit, respect voor dier en natuur en religieuze vrijheid. Ze mochten de waarden zelf definiëren, maar moesten ook een keuze maken uit drie voorgelegde definities, die ontleend waren aan grote stromingen uit de filosofie.

Het resultaat: veiligheid en fatsoen worden, in die volgorde, door ‘de Nederlander’ als de belangrijkste waarden aangewezen om goed samen te leven. Onder ‘veiligheid’ verstaat men niet het klassiek-liberale ‘beschermd zijn tegen de ander’ (slechts 12,7 procent), maar meer ‘een gevoel van geborgenheid en bescherming’ (63,7 procent). Fatsoen werd door de meesten gedefinieerd als ‘netjes met elkaar omgaan, je goed gedragen in het openbaar’ (61,6 procent). Religieuze vrijheid en vaderlandsliefde eindigden onderaan de lijst van tien – vrije meningsuiting, tolerantie, solidariteit en zelfbeschikking waren middenmotors.

De redactie van Filosofie Magazine heeft de cijfers ook geïnterpreteerd. Zo wordt gesuggereerd dat de Nederlander „het polariseren misschien eindelijk beu is”. Vrije meningsuiting wordt niet gezien als ‘het recht om te beledigen’ (slechts 12,2 procent), maar eerder als ‘naar elkaar luisteren, om daarmee alle meningen recht te doen’ (41,6 procent). Gelijkwaardigheid gedefinieerd als ‘je identiteit kunnen uitdragen, ook al strookt die niet met de moraal van de meerderheid’ scoort ook slecht: 9,5 procent. Met enige verbazing stelt de redactie dat zelfbeschikking „voor de individualistische Nederlander toch hoger had kunnen scoren” dan de zevende plaats die het nu heeft gekregen.

Een triomftocht voor het CDA dus, de partij die veiligheid en fatsoen bovenaan de politieke agenda zette en zich daarbij graag profileert met ‘gemeenschapsdenken’. Maar hoe serieus moeten we dit waardenonderzoek eigenlijk nemen?

In eerste instantie helemaal niet. Immers, zoals Filosofie Magazine zelf zegt: „We hebben [...] gevraagd naar de waarden die voor de ondervraagde belangrijk zijn ‘om goed samen te leven’ en niet: wat vindt u voor uzelf een belangrijke waarde?’. En daar zit natuurlijk de crux: de vraagstelling is – vooral voor een filosofietijdschrift – buitengewoon bevooroordeeld.

De vraag óf Nederlanders ‘goed samenleven’ wel zo belangrijk vinden, wordt niet ter discussie gesteld. Dat dwingt de antwoorden een bepaalde hoek in. Natuurlijk komen veiligheid en fatsoen als belangrijkste uit de bus: die waarden vormen min of meer de definitie van ‘goed samenleven’. En uiteraard zijn het recht om te beledigen, zelfbeschikking zonder inmenging van anderen en je identiteit uitdragen tegen de moraal van de meerderheid in van aanzienlijk minder belang: die waarden staan in zekere zin haaks op samenleven.

Het onderzoek was van meer universele betekenis geweest als men zonder vooringenomenheid had gevraagd naar wat men ‘de belangrijkste waarden’ vindt. Misschien –nee, waarschijnlijk – was dan gebleken dat ‘goed samenleven’ veel minder prioriteit geniet dan het nu krijgt – en waren individuele ontplooiing en een eigen identiteit uitdragen, zoals in een geïndividualiseerde samenleving voor de hand ligt, hoger geëindigd. Dat was hier onmogelijk: het ‘gemeenschapsdenken’ zat in de vraagstelling besloten.

Evenals het woordje ‘goed’ trouwens. Had men dat woord uit de vraag gelaten, dan was vrije meningsuiting waarschijnlijk hoger gewaardeerd dan nu. Immers, het vrije woord is een cruciale voorwaarde voor het hebben van een (gedeeld) idee van ‘goed’ en ‘kwaad’. Zonder openbaar discours (de ‘wereld der ideeën’) zou de burger hoogstens een privébegrip, maar geen ‘maatschappelijk’ idee van ‘goed’ en ‘kwaad’ tot zijn beschikking hebben. Was de vraag ‘waardenvrij’ gesteld, dan had ík in ieder geval zonder twijfel vrije meningsuiting bovenaan gezet – via die waarde wordt de betekenis van ‘goed samenleven’ namelijk bedongen.

Het was aardig geweest als de redactie bij het opstellen van dit waardenonderzoek eerst te rade was gaan bij de Amerikaanse filosoof John Rawls (1921-2002) – een van de meest invloedrijke politieke filosofen van onze tijd. Rawls publiceerde in 1971 het boek A Theory of Justice, waarin hij onder andere de vraag ‘wat is rechtvaardigheid?’ probeert te beantwoorden, of beter gezegd: uit welke waarden bestaat een rechtvaardige samenleving eigenlijk?

De oplossing voor dit immense vraagstuk, waar Rawls liefst twintig jaar aan werkte, kon volgens hem alleen gegeven worden vanachter ‘a veil of ignorance’ – een sluier van onwetendheid. Daarmee bedoelde hij: om te weten welke waarden werkelijk belangrijk zijn, moet de burger zich indenken dat hij niets afweet van zijn eigen kenmerken (geslacht, huidskleur, gezondheid, etcetera) en de positie die hij in de samenleving bekleedt (status, macht, salaris, etcetera). Alleen zonder die voorkennis zou de burger kunnen bepalen wat ‘een rechtvaardige samenleving’ precies betekent – zijn keuzes worden dan immers niet beïnvloed door de eigen belangen, maar alleen door algemene belangen.

Waarschijnlijk zou men, vanuit deze „originele positie” zoals Rawls het noemt, niet zo gauw stellen dat een identiteit uitdragen tegen de moraal van de meerderheid in, niet van groot belang is – je weet immers niet wat de heersende moraal is, en hoe jouw eigen identiteit zich daartoe verhoudt. En waarschijnlijk zou, als je niet weet wie je bent en waar je in de maatschappij staat, ook de waarde ‘zelfbeschikking’ hoger hebben gescoord dan nu het geval is.

Het probleem is natuurlijk, en daar is Rawls hard op aangevallen, dat jezelf losmaken van wie je bent onmogelijk is – de sluier van onwetendheid bestaat alleen theoretisch. Bovendien, zeggen critici, doet Rawls alsof ‘rechtvaardigheid’ puur abstract kan worden begrepen, als iets dat los staat van de (onrechtvaardige) samenleving zoals die we in werkelijkheid hebben. Want, mensen zijn in theorie wel gelijkwaardig, maar in de realiteit niet gelijk – en wat men verstaat onder ‘rechtvaardig’ wordt grotendeels door die mate van ongelijkheid bepaald. Welke waarden belangrijk zijn, kan dus helemaal niet vastgesteld worden zonder een reeds bestaande samenleving in het oordeel mee te nemen.

Precies daarin schuilt, in tweede instantie, dan ook de waarde van Het Grote Waardenonderzoek 2007. De uitslag zegt niet zoveel over de waarden die wij, in abstracte zin, belangrijk vinden, maar wel iets over de waarden die wij in deze tijd, in de samenleving zoals wij die nu kennen, van belang achten. Het kan dan ook bijna niet anders dan dat de ophef over de islam, de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en de politieke opkomst van Rita Verdonk en Geert Wilders, van zeer bepalende invloed zijn geweest op ‘de’ waarden die wij hier zeggen voor te staan.

En het ironische is: dat gegeven moet uitgerekend Verdonk en Wilders – en hun achterban – te denken geven. Deze twee Kamerleden, die vorige week tot politici van het jaar zijn verkozen, maken immers vooral furore door onze (westerse) ‘waarden’ als iets vaststaands en normatiefs te beschouwen. Maar nu blijkt: ‘onze waarden’ zijn, mede door hún toedoen, veel afhankelijker van de tijdgeest dan zij beweren.