Zo krijg je geen enkele academicus voor de klas

Willen we meer academisch geschoolde leraren voor de klas krijgen, dan moet het studieprogramma korter en de salariëring écht beter, vinden Anka Mulder en Paul Rullmann.

Het lerarentekort wordt met de dag meer voelbaar. Alle complimenten daarom voor een minister die probeert dit probleem aan te pakken, niet met woorden, maar met daden. Toch heeft hij met zijn aanpak een kans gemist: hij biedt geen oplossing voor het feit dat steeds minder academici voor het onderwijs kiezen. Twee belangrijke stappen zijn nodig om de academische leraar voor de klas te krijgen.

Net als de minister vragen universiteiten zich af wat zij kunnen doen aan het lerarentekort. Zeker een technische universiteit, want voor de bètavakken is het probleem het meest prangend. De Technische Universiteit Delft voelt een grote verantwoordelijkheid om haar maatschappelijke rol in te vullen, maar ziet studentenaantallen in de eerstegraads lerarenopleidingen eerder af- dan toenemen. Tussen 2004 en 2006 studeerden aan de TU Delft respectievelijk acht, tien en acht leraren af. Van deze 26 kozen er zeven niet voor het onderwijs, maar voor een promotietraject of een baan in het bedrijfsleven. Gerelateerd aan het aantal vertrekkende bètaleraren zijn de 19 uit Delft een druppel op een gloeiende plaat.

De TU Delft houdt al jaren eerstegraads technische lerarenopleidingen in de lucht voor wiskunde, natuurkunde, scheikunde en informatica, ondanks de lage studentenaantallen. De universiteit poogt studenten te stimuleren om voor het lerarenvak te kiezen, maar al met al blijven deze opleidingen noodlijdend.

Dat het lastig is om studenten te interesseren voor het leraarsvak houdt onder meer verband met de lengte van het studieprogramma. Zo’n twintig jaar geleden kon elke universitaire student, bovenop zijn studieprogramma, in zes maanden een didactische aantekening halen, die hem of haar de mogelijkheid gaf om na de studie als eerstegraadsleraar aan de slag te gaan. Nu is dat een veel forsere investering: een programma van twee jaar na de Bachelor of Science of een jaar na de Master of Science.

Een tweede probleem is de salariëring. Een aan de universiteit afgestudeerde leraar verdient net zoveel als zijn collega die een opleiding volgde aan een hbo-instelling, maar loopt wel twee jaar achter in salaris omdat het universitaire traject langer duurt. Ook de vergelijking met andere beroepen is niet gunstig. Het gemiddelde startsalaris van een academicus die bijvoorbeeld natuurkundeleraar wordt is lager dan dat van zijn medestudent die een baan buiten het onderwijs vindt. Tijdens de loopbaan worden de verschillen nog groter. De nieuwe plannen van minister Plasterk voorzien niet in een structureel hogere salariëring voor de eerstegraads docenten. Dat is een gemiste kans.

Alle goede bedoelingen ten spijt, lijken de plannen die de overheid wel lanceert om iets te doen aan het tekort aan eerstegraads bètaleraren soms ver van de realiteit te staan. Zo ging onlangs het Sprint Up-programma van start, waarin universiteiten wordt gevraagd om tijdelijk 800 universitaire bètadocenten in te zetten en te ruilen met 400 docenten in het voortgezet onderwijs. Doel hiervan is een betere aansluiting tussen vwo en wetenschappelijk onderwijs te garanderen en het lerarentekort te bestrijden. Universiteiten willen wel meedoen, maar vragen zich af waar ze die docenten vandaan moeten halen. Ze hebben immers zelf ook moeite om voldoende bètawetenschappers te trekken. Dit is een van de redenen waarom zoveel promovendi afkomstig zijn uit het buitenland. Voor de TU Delft is dat ruim 50 procent! De doorsnee bètapromovendus, Nederlander of niet, gaat bovendien naar het buitenland voor zijn onderzoekscarrière, niet naar het vwo.

Er zijn grotere stappen nodig om de academicus weer voor de klas te krijgen. Een eerste noodzakelijke stap is het inkorten van het opleidingstraject van de eerstegraadsleraar. Dat betekent de inhoudelijke kant van de opleiding van een universitaire student echt waarderen en het didactische deel beperken tot enige maanden. Het geeft studenten de mogelijkheid om hun didactische bekwaamheid naast en tijdens hun studie te verwerven en zorgt ervoor dat afgestudeerden ook later in hun loopbaan de overstap naar het onderwijs kunnen maken. Overigens kan worden overwogen om universiteiten ook een rol te geven in het opleiden van tweedegraadsleraren, door studenten met een universitair bachelordiploma, aangevuld met een didactische aantekening, als leraar een plek te bieden op de arbeidsmarkt. Dat is zelfs in lijn met de opmerking van de minister dat het bachelordiploma serieuzer moet worden genomen.

Een tweede stap is accepteren dat een universitaire student ook maar een mens is en, net als andere mensen, economische overwegingen meeneemt in zijn keuzes. Waardeer een eerstegraads leraar met een academische opleiding op zijn waarde. Want op een enkele idealist na zal de student niet kiezen voor het prachtige vak van leraar, zolang de salariëring ervan niet overeenkomt met zijn opleidingsniveau en marktwaarde.

De minister heeft wellicht goede redenen om geen grote maatregelen te nemen voor het eerstegraadsonderwijs. Dan moeten wij ervan uitgaan dat hij accepteert dat leerlingen les krijgen van tweedegraads leraren. En dat hij helaas van universiteiten weinig hulp kan verwachten. Want zonder dit soort maatregelen zullen universiteiten noodgedwongen boven de soep blijven roeren en geen reële bijdrage kunnen leveren aan het aanpakken van het lerarentekort.

Anka Mulder is directeur onderwijs en studentenzaken van de TU Delft. Paul Rullmann is lid college van bestuur van de TU Delft.