‘President’ Balkenende: meer show dan regie

Premier Balkenende gedraagt zich als president met de bijbehorende houding. Dat schaadt het staatshoofd en de Staten-Generaal, meent J.Th.J. van den Berg.

Het leiden van een coalitie met CDA en PvdA is zonder twijfel geen pretje. Voor beide partijen, die elkaars rivalen zijn, is de VVD aangenamer want toeschietelijker gezelschap. In het verleden hebben christen-democratische premiers als Cals, Van Agt en Lubbers dit, ieder op eigen wijze, moeten ondervinden.

Van de huidige minister-president weten wij dat hij liever de samenwerking met de VVD had voortgezet dan de overstap te maken naar de PvdA. Zolang de kabinetsformatie duurde, ging het nog wel: daar leverde Maxime Verhagen effectieve bijstand en Wouter Bos wilde het formatiespel niet echt hard spelen. Nu echter bevindt de premier zich te midden van de ministerraad, waar weinig hulp te halen valt. Ministers vormen immers geen ‘team’ maar een vergadering van ‘stamhoofden’.

Als regisseur is premier Balkenende nooit een succes geweest. In zijn tweede kabinet werd hij in moeilijke tijden overeind gehouden door gewezen informateur Donner, maar toch vooral door vicepremier Zalm en minister (later ook vicepremier) Brinkhorst. De sociaal-economische beleidsrichting kwam daardoor in liberale handen (VVD en D66), maar alles heeft tenslotte zijn prijs.

Balkenende doet als premier denken aan zijn katholieke voorganger De Quay, die tussen 1959 en 1963 overeind werd gehouden door zijn protestantse collegae Zijlstra (Financiën) en De Pous (Economische Zaken). Zoiets gebeurt niet uit vriendschap maar uit welbegrepen eigenbelang. Dat het met De Quay alsnog vriendschap is geworden kwam doordat hij de eer van het succes gemakkelijk aan zijn collegae gunde. Daar is Balkenende, zover bekend, minder royaal in. Toegegeven, vandaag kan een premier zich minder generositeit veroorloven dan vijftig jaar geleden, gelet op zijn meer centrale politieke positie.

Alles wijst erop dat de ministers van de PvdA en de CU minder geneigd zijn de premier in bescherming te nemen dan hun voorgangers van de VVD en D66. Bij de sociaal-democraten zit dat al niet in de aard van het beestje; de CU leert regeren en heeft het nog even te druk met zichzelf. Niet toevallig heeft Balkenende zijn vrienden overal uit het CDA vandaan gehaald – uit de fractie, uit de partij, uit het wetenschappelijk bureau – om zijn steun maar zo sterk mogelijk te maken.

Zó bont heeft hij het daarbij gemaakt dat hij de vacature bij Defensie heeft aangewend om zijn voormalige spindoctor Jack de Vries staatssecretaris te maken. In Trouw werd onlangs gesproken van de ‘hofhouding’ van Balkenende. Waarschijnlijk is het beter te spreken van het ‘steigerwerk’ van de premier, dat moet voorkomen dat het premierschap vroegtijdig instort. Hij moge in een aantal opzichten als minister-president zijn gegroeid – hij begon in 2002 immers zonder enige ervaring – dat geldt helaas niet voor zijn competentie als politiek regisseur, tot verdriet van zijn collegae in de ministerraad, inclusief die van het CDA.

Deze zwakke regie wordt sinds enige tijd gecompenseerd door quasi-presidentiële show. In die zin is de term ‘hofhouding’ wel to the point. Waar Balkenende komt, verschijnt hij niet eerder ten tonele dan nadat eenieder verwachtingsvol gezeten is. Om hem heen drentelen figuren die geen veiligheidsbeambten zijn maar gewone ambtenaren van Algemene Zaken (AZ) en de RVD. Die blijven niet bescheiden achter in de zaal (zoals dat tot 2002 bij de premier gebeurde) maar zij gaan pontificaal in de rij onmiddellijk achter de premier zitten. Zulk een plaatsing werd tot voor kort uitsluitend voor de koningin gereserveerd.

Persconferenties op vrijdag zijn uit de informele sfeer van Nieuwspoort gehaald en verworden tot presidentiële vertoningen vanachter een katheder bij AZ. Het kabinet gaat, onder regie van eerder gemelde De Vries, honderd dagen het land in en vermijdt zorgvuldig erbij te zeggen dat al zijn initiatieven afhankelijk zijn van parlementaire goedkeuring.

Sterker nog, grote hoeveelheden Kamervragen worden vol dédain niet beantwoord, ook niet na herhaalde aandrang van het Kamerpresidium. Totdat de voorzitter dreigt alle vragen mondeling te laten beantwoorden in een extra vragenuurtje. Dan ineens zijn de antwoorden er binnen een paar dagen. Over de malligheid van de door de premier bevolen embargoregeling voor Prinsjesdag, een belediging van zowel parlement als media, zullen wij het maar niet meer hebben. Het is trouwens nogal beschamend dat de ministers van de PvdA en de CU aan veel van deze slechte manieren medewerking verlenen.

Een minister-president in Nederland is niet helemaal meer de primus inter pares die hij heel lang is geweest. De integratie in Europa en de media-aandacht hebben hem geleidelijk uitgetild boven zijn collegae in het kabinet. Dat maakt hem echter nog niet tot president met bijbehorende maniertjes, die in ons land al snel neerkomen op aanstellerij.

Afgezien van het irritante karakter van zulke show – ongetwijfeld gevoed vanuit de RVD – is zulk optreden van een minister-president schadelijk voor de rol en het aanzien van de Staten-Generaal, die met te weinig egards worden tegemoet getreden. Het is voorts schadelijk voor die andere staatsinstelling, het koningschap. Dat moet erop kunnen rekenen dat de premier uiteindelijk de koningin meer zal beschermen dan zijn eigen hachje. Zij moet immers langer mee dan een willekeurige premier. Voor een kabinetsleider die tevens partijleider is, is dit allemaal al moeilijk genoeg. Lubbers en Kok hebben laten zien dat het desondanks mogelijk is; Balkenende is dit niet erg gelukt.

Geluk bij een ongeluk: ook als showmaster kan de huidige minister-president lelijk blunderen. Door de vrijdagse persconferentie te verplaatsen van Nieuwspoort naar Algemene Zaken en dus de journalisten zich daar opeen te laten hopen heeft hij de andere ministers in staat gesteld aan het einde van de vergadering het gras voor zijn voeten weg te maaien. In deze nieuwe anarchie, die de premier niet zal hebben beoogd en die de RVD had moeten voorzien, heeft nu de minister van Financiën, heel toevallig tevens vicepremier, zijn eigen gesprek weten te organiseren met RTL Z. Hij, Wouter Bos, behoort echter niet tot de steigerconstructie rond de premier, zoals Zalm dat wel deed.

Het gebrek aan respect in de bejegening van de beide Kamers en het staatshoofd, tevens de duidelijkste tekenen van zwakheid en onzekerheid, zijn daarmee echter niet verdwenen. Daar moet de Tweede Kamer zich maar eens over beraden, liefst niet in een hijgerig spoeddebat maar in een goed voorbereide gedachtewisseling met de minister-president.

Prof. dr. J.Th.J. van den Berg is hoogleraar parlementair stelsel aan de Universiteit Maastricht en emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit Leiden.