Kerstdiner

Het jonge stel tegenover mij aan de leestafel van het grand café stond voor een moeilijke taak. Kerstmis wierp zijn zware slagschaduw vooruit: er moest gedineerd worden, in familieverband nog wel. Een en ander zou zijn beslag krijgen ten huize van de ouders van de vrouw, die ik evenals haar vriend op een jaar of vijfentwintig schatte. De kosten waren voor de ouders, en zij, de kinderen, zouden het diner verzorgen.

Het leek me geen slechte deal, vooral voor de ouders, die nu alleen nog maar hun portemonnee en hun mond wijd open hoefden te doen. De zorgen waren voor de kids, zij hadden daar de geschikte leeftijd voor. Ik was blij dat ik niet in hun schoenen stond, want met name mijn vader was een gretige, maar kritische eter. Zo moest je hem nooit gerechten ‘met pitjes’ geven, daar kon zijn gehemelte niet tegen.

De vrouw had een schoolschrift voor zich waarin ze ijverig notities maakte. Zij was duidelijk de cheffin de cuisine, haar vriend beperkte zich tot gemompeld commentaar.

„Vooraf makreelmousse of avocadomousse?” vroeg ze.

„Avocadomousse.”

„Ik stel makreelmousse voor, want dat is lichter.”

De man keek voor zich met een vraag-het-me-dan-niet-blik.

„En ik dacht aan een soepje met gegrilde kipfilet, pistachenootjes en crème fraîche. Zoiets. Enig!”

Hij knikte vaag, die mousse zat hem nog hoog.

„Het lijkt me leuk”, ging ze energiek verder, „om vroeg te beginnen en dan met tussenpauzen te eten. Dus niet alles meteen na de soep achter elkaar te serveren. Wat vind je van biefrolletjes na de soep?”

Hij had geen bezwaren, althans, hij maakte ze niet kenbaar.

„Ik denk ook aan kleine kalkoenmedaillonnetjes. Ik moet dan wel voor verse bieslook zorgen.”

„Bieslooksliertjes erop, lijkt me leuk”, knikte hij.

„Bij de coquilles natuurlijk sowieso.”

Ze schreef iets op en zette er een ferme streep onder. „En als hoofdgerecht doen we gewoon de risotto!”

Het dessert wenkte.

„Sorbetijs”, zei ze.

„Tiramisu”, zei hij.

„Dat vind jij lekker, maar het is te zwaar voor mama, en ik wil geen moment creëren waarop mama iets anders krijgt dan wij.”

Waarom eigenlijk niet, wilde ik vragen, maar ik mocht me er niet mee bemoeien.

„Wat we kunnen doen”, peinsde ze, „is perensap met een bolletje meloen. Mét muntcitroen.”

Alles leek geregeld, maar opeens sloeg toch weer de twijfel toe. Ik herkende dit maar al te goed.

„In plaats van makreelmousse kan ik natuurlijk ook eiersalade maken”, zei ze. „Een eiercrème. Het moet wel een beetje originele salade zijn, met venkel.”

„Geen venkel”, zei haar vriend, voor zijn doen zeer gedecideerd. Hij rechtte zijn rug. De slag om de avocadomousse had hij verloren, maar het voorgerecht stond weer ter discussie. „Wat dacht je van pompoenmousse?”

„Pompoenmousse.” Ze klonk verbaasd, maar was niet a priori tegen. Het was even stil. Toen zei ze: „Het liefst zou ik zo’n wrap met verse tonijn maken. Een briljante combinatie van smaken. Een koningsgerecht.”

Hij knikte, maar schudde meteen daarna het hoofd. „Dat trekt je moeder niet.”