Handel belangrijker dan financiële markten

Verdere vrijmaking van de handel is belangrijker voor de wereldeconomie dan de nervositeit op de financiële markten, vinden

Steven Brakman en

Harry Garretsen.

De recente mislukking van de top tussen de Europese Unie en de Afrikaanse landen kwam niet alleen door onenigheid over de mensenrechten, maar ook door meningsverschillen over het handelsbeleid. Al zeven jaar wordt onderhandeld over beëindiging van de beschermingsconstructies die veel Afrikaanse landen krijgen. In Afrika is men nu bang dat arme Afrikaanse boeren zullen lijden onder vrijhandel met de EU als gevolg van concurrentie met Europese exporteurs.

Beëindiging van die verdragen is nodig vanwege de regelgeving van de wereldhandelsorganisatie WTO. Die staat akkoorden zoals die tussen de EU en Afrika alleen toe als tijdelijke uitzondering. Het mislukken van het Afrikaans-Europese overleg lijkt echter te wijzen op een fundamenteler probleem.

Onlangs gaf de directeur-generaal Pascal Lamy van de WTO een kijkje in de keuken. In een chat-sessie antwoordde hij op de vraag of de in het slop geraakte Doha-handelsronde in 2008 eindelijk door de WTO kan worden afgerond: „Is het mogelijk? Ja. Gaat het gebeuren? Ik weet het niet, dat ligt aan de leden”. Van het aanvankelijke optimisme bij de WTO om deze ronde snel te ronden lijkt weinig meer over.

Het principe van de WTO is simpel: ruim handelsbarrières tussen landen op en alle landen gaan er per saldo op vooruit. Keer op keer blijkt dat meer handel – op de langere termijn – de welvaart bevordert. Meer handel helpt echter alleen als het handelsbeleid ook meewerkt. Alle bij de WTO aangesloten landen hebben dan ook te winnen bij het slagen van de Doharonde van handelsliberalisering.

Hoe is de huidige impasse ontstaan? Naast de weigerachtigheid van rijke landen om op gevoelige terreinen, als het landbouwbeleid, de arme landen in voldoende mate tegemoet te komen, zijn er twee belangrijke oorzaken die vaak over het hoofd worden gezien.

Allereerst is de WTO-agenda in de loop van de tijd overbelast geraakt met onderwerpen die elders thuishoren, zoals milieuproblemen, schuldenproblematiek, patentrecht en biodiversiteit. De WTO heeft een beperkte doelstelling maar die is al ingewikkeld genoeg – het reduceren van internationale handelsbarrières.

Een andere oorzaak voor de huidige patstelling is dat de WTO steeds meer ten onrechte wordt gezien als een organisatie ter bevordering van economische ontwikkeling, en als zodanig onderdeel lijkt uit te gaan maken van ontwikkelingsbeleid. Zo is een ongewenste tegenstelling ontstaan tussen de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden.

De WTO moet simpel gezegd slechts bijdragen aan het afschaffen van invoertarieven en andere handelsbeperkingen, niet in de laatste plaats tussen de ontwikkelingslanden zelf waar dikwijls de barrières het grootst zijn. Meer handel of openheid is hoe dan ook slechts een noodzakelijke, maar zeker geen voldoende voorwaarde voor economische ontwikkeling.

De tarieven zijn vooral hoog tussen de ontwikkelingslanden omdat zij zich in voorgaande handelsrondes afzijdig hebben gehouden en er is vaak gebruikgemaakt van uitzonderingsregels. Het resultaat was dat de armere landen lange tijd toekeken hoe het ontwikkelde deel van de wereld in handelsronde na handelsronde de invoertarieven verlaagde op (export)producten die vooral voor de rijke landen zelf belangrijk zijn. Het gevolg is dat de verdere handelsliberalisatie relatief minder belangrijk is geworden voor de ontwikkelde landen dan voor de ontwikkelingslanden.

Vooral de ontwikkelingslanden hebben dus veel te winnen bij het slagen van de Doha-ronde, terwijl de algemene perceptie vaak omgekeerd is, namelijk dat de rijke landen anno 2008 het meest te winnen hebben bij lagere tarieven. De praktijk is echter dat de rijke landen reeds veel binnen hebben gehaald, juist omdat zij de tarieven in het verleden al hebben verlaagd en zo profiteren van voor hen betere mondiale arbeidsverdeling.

Hoe komt de WTO uit de impasse? Allereerst zou het opschonen van de onderhandelingsagenda kunnen helpen. Back to core business zou het devies moeten zijn: laat de WTO zich vooral concentreren op handelsbeleid.

Voorts zouden de ontwikkelingslanden zelf veel actiever tariefverlagingen moeten nastreven. Dit in het besef dat een voortschrijdende mondiale arbeidsverdeling ook bijdraagt aan het stimuleren van de internationale handel en daarmee aan de inkomensontwikkeling in dit deel van de wereld.

Die zienswijze kan bijdragen aan een gewenste vermindering van de handelsbeperkingen, niet in de laatste plaats omdat de rijke landen zich in hun ontoeschietelijkheid zelf meer te doen zich niet langer kunnen verschuilen achter het argument dat de tariefmuren in ontwikkelingslanden veel hoger zijn.

Denk als eerste aan het landbouwbeleid in de VS en de EU. Juist nu zich een opvallende stijging van voedselprijzen voordoet als gevolg van een sterk toegenomen vraag naar bio-brandstof, is er een uitgelezen kans het landbouwdossier te sluiten. Temeer daar de Europese exportsubsidies door hun geringe omvang al vrijwel zijn afgeschaft.

Alle aandacht is nu gericht op de turbulentie op de financiële markten en de mogelijke gevolgen hiervan voor de conjunctuur, en er wordt nauwelijks meer gerept over het gevaar dat de Doha-ronde mislukt. Toch is op de langere termijn het welslagen van deze handelsronde voor de internationale economie veel belangrijker dan de huidige nervositeit op de financiële markten.

Steven Brakman en Harry Garretsen zijn respectievelijk hoogleraar mondialisering aan de Rijksuniversiteit Groningen en hoogleraar internationale economie aan de Universiteit Utrecht.