Een politiek van extremen? Nee, onder kiezers niet

Wordt het politieke midden bedreigd door het succes van de SP, PVV en TON?

Nee, het CDA werd veruit de grootste partij en de SP heeft zich juist gematigd.

Zo’n vijftien jaar geleden was de klacht dat de Nederlandse partijen in het politieke midden samenklonterden. Voor de zoveelste keer werd het einde van de ideologie afgekondigd. Links was niet meer van rechts te onderscheiden, en politiek was verworden tot bestuur en beheer. De historicus J.W. Oerlemans publiceerde in 1990 in NRC Handelsblad zijn betoog over de eenpartijstaat Nederland. Hij kreeg aanzienlijke bijval.

Nadat Fortuyn het politieke debat nieuw leven had ingeblazen en tegenstellingen aanscherpte, kwam het succes van de SP en Geert Wilders’ Partij voor de Vrijheid in 2006. Recentelijk blaast Rita Verdonk luidruchtig haar trotse deuntje mee, althans in de peilingen. Anders dan in het Nederlands elftal zijn in de Nederlandse politiek de linker- en rechterflank uitstekend bezet.

Sterker, het politieke midden zou in een benarde positie terecht zijn gekomen. Dat zou riskant zijn en kunnen leiden tot politieke chaos. In het uiterste geval zou de democratie zichzelf opblazen. Met zijn expliciete verwijzing naar de Weimarrepubliek verwoordde Ed van Thijn bij zijn afscheid uit de actieve politiek die angst het meest pregnant. Hij vreesde de ontwikkeling in de richting van een waaierdemocratie met een zwak centrum, wellicht ook een tangdemocratie met een verzwakt midden klem tussen krachtige extremen.

Echter, zoals ruim vijftien jaar geleden de partijen niet één pot nat waren, zo valt het momenteel met die benarde positie van het politieke midden reuze mee. Daar zijn verschillende redenen voor. Om te beginnen een terminologische kanttekening. Het idee van een midden veronderstelt een interpretatie in ruimtelijke termen. Daarbij gaat het primair om links versus rechts, met daartussen dat politieke midden. De dominante invulling van deze links-rechtsdimensie is sociaal-economisch: wat is de rol van de staat in het economisch leven? Hoe groot is de politiek gestuurde greep op het financiële en sociaal-economische reilen en zeilen?

In die zin heeft het politieke midden weinig te vrezen van de flanken. Krachtige linkse pleidooien voor een verdergaand staatsingrijpen zijn net zo weinig te horen als felle rechtse betogen waarin de positie wordt bepleit dat de overheid geheel uit het economisch leven dient terug te treden.

De Nederlandse politiek kent van oudsher meer politieke dimensies. In elk geval speelde lange tijd de tegenstelling religieus versus seculier een serieuze rol. Aan het begin van de 20ste eeuw is niet duidelijk hoeveel en welke dimensies een rol spelen – links versus rechts, progressief versus conservatief, monocultureel versus multicultureel? – maar dat er niet slechts een enkele dimensie is, staat vast. En in een ruimte die getekend wordt door minstens twee of drie scheidslijnen wordt het er niet eenvoudiger op te spreken over ‘het politieke midden’.

Wie deze benadering te academisch vindt en afgaat op de aanhang van de politieke partijen, wijst op het electorale succes van Marijnissen, Wilders en Verdonk. Ook dat leidt niet als vanzelf tot bewijs van een benarde positie van het politieke midden. In november 2006 bleek het CDA met afstand de grootste partij. Bij die verkiezingen de groei van de SP zien als een trek weg uit het midden, miskent de realiteit, al was het maar omdat de SP zelf een beweging naar het midden had gemaakt. Dat maakte de strijd met de ideologisch pokdalige PvdA er een stuk eenvoudiger op.

De ChristenUnie won, maar veel te weinig om wie dan ook een benard gevoel te geven. En dat Wilders een groot electoraal succes boekte was gezien de ideologische verwarring in de VVD geen verrassing. Trouwens, stel dat Verdonk die race om het liberale lijsttrekkerschap had gewonnen en de aanhang van Wilders was bij de VVD gebleven of naar de VVD gegaan, zou dat dan als een versteviging voor het politieke midden worden gezien?

Deze laatste vraag wijst erop dat onderscheid gemaakt moet worden tussen vraag en aanbod in de politiek, tussen de kiezers en hun ideologische posities en de partijen en de plek die zij op enig ideologisch spectrum innemen. Het debat over het benarde midden gaat vooral over partijen.

De PvdA die het moeilijk lijkt te hebben tegen een wat linksere SP, de VVD die niet goed raad weet met de rechtse verbale daadkracht van Wilders en Verdonk. Die bewegingen op partijpolitiek niveau zijn echter maar een zwakke afspiegeling van ontwikkelingen op het niveau van burgers en kiezers. Kiezersonderzoek wijst uit dat het electoraat heel misschien wat meer uitgesproken opvattingen inneemt dan in het recente verleden, maar biedt geen basis voor de bewering dat het midden leegloopt of gematigde posities massaal verlaten zijn. Opvattingen van kiezers, in termen van links en rechts maar ook ten aanzien van tal van specifieke strijdpunten, zijn in hoge mate stabiel.

Op dit niveau is geen grote trek naar de flanken waarneembaar. Het politieke midden lijkt vooral te lijden aan het lijden dat men vreest. Dat is een benauwde houding, geen benarde positie.

Prof. dr. Joop van Holsteijn is universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar Kiezersonderzoek aan de Universiteit Leiden.