Een mal meneertje

Op een gezellige Franse rommelmarkt (vide-grenier) staat op het pleintje onder de platanen een aardige mevrouw met wat boeken, jurken en vestjes en nog wat andere spullen. Tot mijn genoegen zie ik haar kijken naar het oorlogsmonument midden op het pleintje, dat al jaren mijn dierbaarste Franse standbeeld is vanwege de ontroerende bravoure waarmee de in brons gegoten krijger te velde trekt.

Och, wat een kerel! Met zijn geweer omhoog wenkt hij met de andere hand zijn bataljon om hem te volgen. Zijn gehelmde hoofd met martiale snor en puntbaardje fier omhoog geheven trekt hij op, de benen in wikkellaarzen krachtig voorwaarts stappend. En avant pour la patrie!

Frankrijk telt honderden van zulke monumenten, opgericht na La Grande Guerre met de namen van de plaatselijke gevallenen. Met economisch inzicht zijn daar een kwart eeuw later de doden van het dorp uit ’39-’45 aan toegevoegd, meestal aan de achterkant waar nog ruimte was.

De mevrouw en ik delen dezelfde compassie voor deze van krijgsplicht blakende aanvoerder. „Arme kerel”, verzucht ze en ik knik.

Tussen haar spullen staat tegen een boom een grote donkergroen gemarmerde map. Een collectie prenten van allerlei soort en snit: crayontekeningen van een onbekende, een grote foto van Marlene Dietrich, reproducties van Goya, Dürer en anderen en dit malle meneertje van Picasso’s hand – nee, geen origineel.

Voor wat euro’s is hij van mij. Ook de mevrouw in haar aangenaam omspannende blauwe truitje weet niet wie hier door de meester is getypeerd. „Mijn man heeft hier en daar wel eens wat verzameld maar meer weet ik er niet van”, glimlacht ze. En de man zelf? gaat het door me heen maar ik vraag er niet naar ofschoon ik het best zou willen weten, zo tegen het lunchuur onder de zondoorstraalde platanen.

Zou dit groene gezichtje van een kunstluis zijn geweest die zich bij Picasso trachtte in te likken of gewoon van een manneke op een terras in Vallauris? Een ‘bourgeoisbohémien’ uit café Flore? Was het als hoon of juist als affectie om een koper, kunsthandelaar, buurman, vriend of terloopse emmerdeur een pukkelig hoedje op te zetten? De maître was een man van invallen. Een dierbare kon het lichaam van een hond krijgen of hij draaide een doek om en plakte de achterkant vol met wat hij op het strand had gevonden. Toen iemand eens een biljet van honderd francs tevoorschijn haalde, zei hij: geef eens hier en hij schreef er zijn naam op. Nu is het duizend francs, zei hij en gaf het terug.

Zie in zijn Parijse museum hoe hij van twee speelgoedautootjes een apenhoofd maakte. En toen hij in 1942 van het zadel en het stuur van een racefiets een stierenkop had gemaakt zei hij dat er na deze metamorfose een tweede zou moeten volgen: „iemand vindt dit ding op een vuilnisbelt en bedenkt dat daar een handig fietsstuur van te maken valt.” Een goeie gekke man die dit goeie gekke mannetje maakte. De gouden lijst eromheen komt van een andere vide-grenier.

Frans van Lier