De tweede pop maakt ook kans

De voorverkiezingen van de Republikeinen verlopen zo grillig dat zelfs John McCain weer kansen heeft.

Een half jaar geleden gaf niemand nog een stuiver voor dit politieke buitenbeentje.

De Italiaanse pottenbakker Genny Di Virgilio toont in zijn winkel in Napels een kerststalletje met uit klei getrokken kandidaten voor de Amerikaanse voorverkiezingen: Barack Obama, John McCain, Hillary Clinton en Rudy Giuliani. Foto Reuters Ceramic artist Genny Di Virgilio shows his nativity scene made of United States presidential candidates, at his shop in Naples November 14, 2007. From left are figures of Barack Obama, John McCain, Hillary Clinton and Rudolph Giuliani. REUTERS/Ciro De Luca (ITALY) REUTERS

John McCain stelt eerst zijn dochter voor. De Republikeinse senator uit Arizona is zo-even het podium opgestapt. Lange man, opmerkelijk lenig voor een 71-jarige. Gretig pakt hij de microfoon. „Mag ik even aandacht voor haar?” De dochter, journaliste Meghan McCain (23), staat een beetje bedremmeld op, fotocamera in de hand – en McCain laat meteen blijken dat een gelikt optreden niet tot zijn competenties behoort. „Ze is pas een paar maanden afgestudeerd”, zegt hij met tedere stem. Om er onmiddellijk een cynische grap overheen te maken: „Wat ben ik blij, zeg, dat ik die rekening niet meer hoef te betalen.”

Het is karakteristiek voor John McCain. De man die van alle Republikeinse kandidaten verreweg de meeste ervaring heeft, die voor het presidentschap wordt aanbevolen door uiteenlopende media als de conservatieve Union Leader in New Hampshire en het Britse weekblad The Economist, beschikt over een uitzonderlijk groot talent zichzelf in de voet te schieten.

Een jaar geleden stond hij in de peilingen ruim op kop, en zochten alle strategen en adviseurs van Washington een baantje bij hem. Hij benoemde een leger Bush-medewerkers. Prompt beging hij twee kapitale politieke blunders. Hij steunde Bush’ zending van extra troepen naar Irak op een moment dat het land zich van de oorlog afwendde. En hij verdedigde wetgeving die, tot woede van de conservatieve achterban, Amerika’s twaalf miljoen illegalen een verblijfstatus in het vooruitzicht stelde.

Een paar maanden later moest hij zijn campagnestaf ontslaan. De kas was leeg, in de nationale peilingen was hij weggezakt naar een derde, soms een vierde plaats.

Maar John McCain gaf niet op. Hij viel terug op een oud imago – de onafhankelijke buitenstaander – en hij maakte zijn verleden als oorlogsheld tot campagnethema.

Nu is McCain bezig aan een voorzichtige comeback. In nationale peilingen loopt hij nog altijd achter op Giuliani, Romney en Huckabee. Maar door de grilligheid van de Republikeinse race schrijven strategen hem niet af, vooral door één factor: als het erop aankomt is hij de Republikein die de beste kansen heeft een Democraat te verslaan.

Zijn campagne is intussen van elke franje ontdaan. In de zaaltjes kunnen alle vragen worden gesteld – er is geen regie, en dogma’s bestaan niet. De opwarming van de aarde is voor McCain een feit, de invloed van de mens daarop ook. De discussie van zijn partijgenoten – van wie sommigen het broeikaseffect betwisten – vindt hij niet langer interessant. „Misschien hebben ze gelijk, maar we kunnen het risico niet meer nemen.”

Inzicht is belangrijker dan ideologie, moed gaat boven een onwaarachtige overwinning: dat zijn de waarden die McCain op campagne overbrengt. Een houding waarmee hij zich al vaak de woede van zijn „conservatieve broeders” op de hals haalde. „Als ik feiten onder ogen zie noemen ze dat deloyaal. Tja.”

Hij is dezer dagen bijna alleen in New Hampshire, de staat die hij per toerbus (‘Straight Talk Express’) doorkruist. Als enige kandidaat laat hij Iowa, waar 3 januari de eerste voorronde is, links liggen.

Het is alweer het gevolg van zijn onconventionele aanpak: McCain heeft zich openlijk gekeerd tegen de miljardensubsidies die boeren in Iowa voor ethanolproductie ontvangen.

Volgens de conservatieve leer zijn die subsidies een principieel onjuiste verstoring van de vrije markt, maar geen van de Republikeinse kandidaten brengt dat punt op. Behalve McCain. „Ik wijk niet omdat het politiek handig is”, zegt hij. Het betekent dat hij al zijn kaarten zet op New Hampshire (waar de voorverkiezingen op 8 januari zijn) en South Carolina (19 januari). „Daar moet het voor mij gebeuren.”

Wie hem een paar bijeenkomsten achter elkaar volgt, leert dat alles bij John McCain draait om de levenslessen van zijn vader. Als admiraal van de marine besloot de vader in 1972 Hanoi te bombarderen, hoewel hij wist dat zijn zoon, John McCain, daar krijgsgevangene was en werd gemarteld. Na de oorlog werd de vader uitgenodigd zijn bevrijde zoon, die vijf jaar onder gruwelijke omstandigheden vast had gezeten, op te zoeken op de Filippijnen. De vader sloeg het aanbod af toen hij hoorde dat de ouders van andere krijgsgevangenen geen uitnodiging hadden gekregen.

Nu bevindt John McCain zich in debatten met Mitt Romney, waarin McCain zich tegen martelingen van terreurverdachten keert. Dan legt hij uit dat de VS na de Tweede Wereldoorlog Japanse soldaten vervolgden voor waterboarding, waarbij verdrinking wordt gesimuleerd. „We hingen ze op. En nu zouden we het zelf wél mogen?”

En overal waar hij komt stelt hij zijn dochter voor, maar hij weigert te spreken over zijn zoon die in Irak vecht. Intussen onderstreept hij, niet zonder triomfalisme, het dalende geweld in Irak. Voor hem het bewijs dat hij de extra troepenzendingen, en dus de overplaatsing van zijn zoon naar het front, terecht bepleitte – ook al kostte het hem mogelijk het presidentschap.

„Ik heb drie jaar gevochten tegen Rumsfeld omdat hij te weinig troepen stuurde.” Ze noemden hem, zegt hij, natuurlijk weer deloyaal. „Maar ik wist dat ik gelijk had. En soms is het belangrijker gelijk te hebben dan gelijk te krijgen.”

Weblog over de Amerikaanse verkiezingen: nrc.nl/race08 Homepage John McCain: http://mccain.senate.gov