Uruzgan is mission impossible

Deze week spreekt de Kamer zich uit over het kabinetsbesluit om de missie in Uruzgan te verlengen. R.P. de Graaf schrijft dat er geen goede redenen zijn te bedenken.

Waarom wil het kabinet in Uruzgan blijven? Het kabinet schrijft in zijn ‘Artikel 100-brief’ om „de Afghaan helpen”. Maar wie Khaled Hosseini’s romans gelezen heeft, weet dat ‘de Afghaan’ niet bestaat: hij behoort tot verschillende families, dorpen, clans, en er is onderling veel strijd. En de Talibaan zijn ook Afghanen.

Het kabinet ziet al sinds 2005 de ‘eerste hoopvolle tekenen’, maar zegt tegelijk door „structurele beperkingen” dat er weinig is veranderd. Slechts een enkele maal schrijft het kabinet dat iets beter is „dan vooraf mogelijk werd gehouden”. Juist dat laatste is veelzeggend, omdat de brief geen indicatoren aangeeft.

Maar er is meer mis. Op zoek naar de Nederlandse grand strategy vinden we drie doelen: 1. internationale en bondgenootschappelijke veiligheid; 2. ondersteuning van de Afghaanse regering en verbondenheid met de Afghaanse bevolking; en 3. het eigen, nationale, veiligheidsbelang. In 2005 heette het doel nog de vorming van een ‘stabiel en democratisch Afghanistan’, maar dat bleek onhaalbaar.

Is de nationale veiligheid werkelijk in het geding? Wanneer hebben de Talibaan ons bedreigd? Bovendien: als we in NAVO-verband geen gek figuur willen slaan, waarom wil niemand ons dan bondgenootschappelijk aflossen? Daarbij rijst de vraag waarom we ons juist met Afghanistan verbonden moeten voelen – er zijn wel andere landen te bedenken.

Dan de militaire strategie. Hierover schrijft het kabinet: „De Task Force Uruzgan richt zich […] niet primair op het militair verslaan van de Talibaan, maar op het aanpakken, waar mogelijk door middel van verzoening, van hun leiders en het verstoren van logistieke, commando- en communicatielijnen. Ook het bieden van een alternatief [...] door middel van bestuur en opbouw maakt deel uit van de strategie de Talibaan irrelevant te maken.” De regering heeft ontdekt dat „de meeste volgelingen van de Talibaan eerder door onwetendheid, vervreemding, manipulatie en opportunisme dan door ideologie” worden gedreven.

Dus waar Clausewitz erop hamert dat de totale vernietiging van de vijandelijke krijgsmacht het voornaamste doel in een oorlog is, gaan wij onze tegenstander irrelevant maken. We sluiten Talibs uit van de bevolking (hoe dan?) en ontzeggen hun de middelen (welke?) en, als we gaan vechten, proberen we alleen hun opslagplaatsen, opmarsroutes en leiders uit te schakelen. Waar Russische generaals met vele jaren frontervaring in Afghanistan de grootste bedenkingen hebben tegen onze aanpak, de Amerikanen in Irak dieven met dieven vangen en de Britten uit Basra moeten terugtrekken, gaan wij onze vijand verslaan door wederopbouw.

In haar brief stelt de regering dat Nederland in 2010 zijn leidende militaire verantwoordelijkheid zal neerleggen. Dat klinkt al een stuk realistischer: we moeten accepteren dat het een mission impossible is de Talibaan te verslaan of te kunnen indammen, gezien de enorme open grenzen met Pakistan en gebrek aan goede inlichtingen. Helaas gaat de brief niet in op de te verwachten Talibaanacties – terreur, zelfmoordaanslagen, guerrilla-aanvallen, en herovering van gebied.

De discussie met de Kamer moet gaan over essentiële dingen als het verwisselen van oorzaak en gevolg. Het is niet: waar wederopbouw lukt, zullen de Talibaan wegblijven, maar: waar de Taliban wegblijven, kan wederopbouw plaatsvinden. Verlenging van de missie is eerst verlenging van de vechtmissie, zo blijkt uit de mislukte inktvlekstrategie. Misschien stelt de Kamer vast dat er niet minder, maar juist meer troepen moeten komen als het gaat om hard vechten of misschien hebben we onze grand strategy doelen al gehaald en zijn 1.400 man te veel.

Dr. R.P. de Graaf is docent aan de Christelijke Hogeschool Ede. Hij schreef Oorlog om Holland en Oorlog, mijn arme schapen.