Ontzagwekkende natuur in ‘Dark Waves’ van Adams

Klassiek Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Jaap van Zweden. Gehoord: 16/12 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 18/12 20u.

Het Concertgebouw dreunde zaterdag tot in zijn fundamenten. De in Alaska woonachtige John Luther Adams vat met Dark Waves (2007), voor orkest en elektronica, opnieuw het overweldigende van sommige natuurervaringen in een partituur. Eerder dit jaar was zijn installatie Veils te horen tijdens het Output Festival. Dark Waves bevat dezelfde traag verglijdende klankmassa’s, maar nu in twaalf minuten in plaats van zes uur.

Weinig woorden doen recht aan de massaliteit en de donkere dreiging van dit werk, dat Ligeti’s Lontano (1967) – op vergelijkbare canonprincipes – reduceert tot romantisch salonmuziekje. De harmonische golven van Adams, een andere dan John Adams van o.a Nixon in China zijn nietsontziender en ontzagwekkender.

Een verwijzing naar Sibelius’ Vijfde symfonie, die erna klonk, was te horen in de opvallende eerste trompetinzet (kwint-octaaf), die sterk leek op de hoorninzet (kwart-kwint-octaaf) waarmee dat werk begint. Ondanks hun onvergelijkbare muziek vertoont Adams verwantschap met deze Fin, omdat voor beiden de natuur van het hoge Noorden als belangrijkste leermeester geldt. Niet als leverancier van idyllische plaatjes, maar als model van beweging, ruimte en sublimiteit.

Sibelius’ Vijfde klonk onder Van Zweden wijds en organisch, met grote contrasten in beweeglijkheid: van zware ijsmassa’s tot opwaaiende herfstblaadjes. Componist Esa-Pekka Salonen ontvluchtte zijn geboorteland Finland juist om te ontkomen aan de daar alomtegenwoordige Sibelius. Toch zijn de oerkrachten van de natuur ook te horen in zijn LA Variations (1997). De reeks vergaande variaties op twee basisakkoorden, inclusief twee Messiaen-achtige koraaltjes – is een wonder van orkestratie: je hoort dat de maker in het dagelijks leven dirigent is.

Een tot in de details verzorgde symfonische orkestklank liet Van Zweden ook horen in Tsjaikovski’s Vioolconcert. De excellent solerende Leonidas Kavakos draaide zich geregeld om, zodat hij naar zijn collega’s kon luisteren. Zijn eigen spel is licht en rank, maar altijd met een ernstige ondertoon. Ondanks soms royaal vibrato lijkt zijn uitgangspunt toch een volledig ‘schone’ klank, waardoor zelfs in het vurige slotdeel elke zestiende projectie en zuiverheid behoudt. De toegift was dezelfde als die van Gidon Kremer donderdag op hetzelfde podium: het eerste deel uit Ysaÿes Vijfde sonate. Minder zangerig en schilderachtig, maar eerlijker en indringender.