Olieman levert op krediet

Met hun karren en manden dragen ook zij bij aan de chaos van Jakarta. Maar in de straat zijn de venters een baken. Bij het tuinhek een gesprek met Hamid.

Hamid zit voornamelijk in de olie, tukang minyak. Bakolie. Al twintig jaar. ’s Morgens vroeg gaat hij die olie halen bij een agent. Die betrekt het weer van restaurants, van de Kentucky Fried Chicken, de McDonald’s. Hamid zit in de tussenhandel – hij levert aan eetstalletjes. Maar ook aan de moderne nomaden van de grote stad, de bouwvakkers. Bouwvakkers leven vele maanden lang in een bouwkeet en zorgen daar voor zichzelf. Hamid: „Bouwvakkers moet ik altijd het meest in de gaten houden, want van de ene op de andere dag kunnen ze zomaar allemaal zijn vertrokken.” En dan heeft Hamid het nakijken, want zoals dat bij tussenhandel gaat – hij levert vrij vaak op krediet. In een lijntjesschrift heeft hij keurig genoteerd wat hij van wie krijgt en in welke termijnen er betaald moet worden. Er zijn klanten waar hij een keer per maand levert, maar wel elke dag even langs moet om 1000 roepia – 9 eurocent – op te halen.

Zo verloopt een 12-urige werkdag al gauw. Een tijdje terug kwam er een buitenlandse ontwikkelingsorganisatie naar Jakarta, ze wilden een systeem opzetten om oude bakolie in te zamelen. Dat is immers een enorme smerigheid voor het milieu. Op zekere dag vertrokken ze weer onverrichter zake. Wie een man als Hamid kent, weet wel waarom: er is hier helemaal geen afgewerkte olie. Olie is nooit afgewerkt, in olie wordt gebakken tot er geen olie meer is en helemaal onderaan de keten bakken de armoedzaaiers ermee tot het verkruimelt. Hamid verkoopt een kilo voor 10.000 roepia – 90 eurocent. Met vier mannen huurt Hamid een kamer, alle vier zitten ze in de olie. Alle vier hebben ze een eigen kar – hun lokroep is het geluid van een grote fietsbel. Thuis in Tasikmalaya heeft hij vrouw en kinderen.

Hamid is zestig en zijn verhaal is vertrouwd. Rijstvelden op het platteland worden van generatie op generatie gesplitst en dus steeds kleiner en voor dagloners is dan geen plek meer. Zo trekken ze naar de grote stad en sturen geld naar huis. Zijn oudste zoon (25) heeft nog werk op een rijstveld, de tweede in een klein kroepoekfabriekje, de derde zit zowaar op de middelbare school en dan is er nog een nakomertje van negen.

Een oude man hoort in de kampong te wonen, bij vrouw, kinderen en kleinkinderen. „Maar ik vind mezelf helemaal niet oud.” Voor zijn schrift – de debiteurenadministratie – heeft hij geen leesbril nodig. En ook verder voelt hij zich kerngezond.

Eens per kwartaal gaat hij voor een dag of vier naar huis. Dan betaalt hij de kosten van zijn twee jongsten – schoolboeken en examengeld. „Als ik echt oud word dan ga ik voorgoed terug, dan zullen zij voor me kunnen zorgen. Die twee oudsten verdienen daar eigenlijk te weinig voor.”

Hij zou eigenlijk moeten sparen? Hamid opent een groot blik met suiker, koffie, thee en melk. Dat verkoopt hij aan huishoudpersoneel van duurdere huizen. „En die betalen altijd contant.” Dat is extra.