Mooie gebouwen, maar ook iets meer dan dat

Arnhem verwierf onlangs het Nationaal Historisch Museum met haar ontwerp. Francine Houben maakte in 1980 een vliegende start in de architectuur en geeft nog steeds de toon aan.

Francine Houben heeft het druk. Hoe druk bleek vorige maand weer eens tijdens het symposium Architectuur 2.0 in De Doelen in Rotterdam waar zij en vijf andere Nederlandse toparchitecten, onder wie Rem Koolhaas, spraken over de stand van zaken in hun vak. Aan de discussie na afloop van de zes lezingen kon ze niet deelnemen, zo liet ze de honderden toehoorders weten die bijna allemaal een entreegeld hadden betaald van drie- à vierhonderd euro. Ze moest die middag nog naar het door haar bureau Mecanoo ontworpen Da Vinci College in Dordrecht, dat door prinses Máxima zou worden geopend. En daarna moest ze door naar Nijmegen om het ontwerp voor het nieuwe stadion van NEC te presenteren.

Het oeuvre van Mecanoo is indrukwekkend en omvat woningbouw, scholen, bibliotheken, kantoren, universiteitsgebouwen, hotels, kerken, theaters, zwembaden, laboratoria, woonwijken en parken in heel Nederland. Houben is de architect van de hoogste woontoren in Nederland, Montevideo in Rotterdam, en onlangs kreeg Arnhem met een ontwerp van haar hand het Nationaal Historisch Museum toegewezen. Eerder bouwde ze in Arnhem de nieuwbouw van het Openluchtmuseum.

Niet alleen in Nederland heeft Mecanoo veel opdrachten. Sinds enkele jaren heeft Houbens bureau, dat 65 medewerkers telt, ook succes in het buitenland. Vanaf 2000 doet Mecanoo mee aan prijsvragen voor grote opdrachten in het buitenland. In de eerste jaren liep dit meestal op niets uit, maar nadat het bureau in 2005 de opdracht voor een theater en congreszaal in het Spaanse Lleida in de wacht sleepte, is er een stroom buitenlandse opdrachten op gang gekomen. In Glasgow bouwt het nu het nieuwe BBC-kantoor, in Cordoba een paleis van justitie en in Taiwan een nationaal centrum voor podiumkunsten. Enzovoort, enzovoort.

„Reizen is topsport”, zegt Francine Houben. „Gelukkig houd ik ervan. Toch probeer ik dat zo efficiënt mogelijk te doen, ik wil geen jetleg-architect worden. Als ik naar Taiwan moet, ga ik ook even naar Seoul en Maleisië waar we mogelijk gebouwen gaan maken.”

Houben is nu zevenentwintig jaar architect. Ze maakte in 1980 een ‘vliegende start’, toen ze samen met Henk Döll en Roelf Steenhuis de prijsvraag voor studentenwoningen aan het Kruisplein in Rotterdam won. De drie waren toen studenten bouwkunde aan de Technische Universiteit in Delft.

„Nadat we hadden gewonnen, hebben we Erick van Egeraat, mijn toenmalige vriend, en Chris de Weijer bij het ontwerp betrokken”, vertelt Houben. „In 1984 richtten we een bureau op waarvan we alle vijf directeur werden. We noemden het naar het bouwspeelgoed Mecano – de twee o’s zijn ontleend aan de zoo, de diergaarde, die zich ooit op de plek van het Kruisplein bevond.”

De studentenwoningen aan het Kruisplein waren het begin van een nieuw soort sociale woningbouw. „Als je de studentenwoningen aan het Kruisplein nu ziet, denk je: ‘god, is dat nou alles’”, zegt Hans van Dijk, architectuurcriticus en docent aan de faculteit bouwkunde aan de TU in Delft. „Maar begin jaren tachtig was het een opzienbarende doorbraak in de sociale woningbouw. Mecanoo kwam op de juiste tijd op de juiste plaats. Het gebouw liet zien dat sociale woningbouw ook mooi kon zijn en daar was bij wethouders als Adri Duivesteijn toen behoefte aan.”

Toen Duivesteijn als Haags wethouder in de jaren tachtig bezig was met de stadsvernieuwing in de Schilderswijk, nam Francine Houben hem mee langs Rotterdamse stadsvernieuwingsprojecten van Mecanoo. „Die vond ik toen zo adembenemend mooi”, zegt hij. „Ze liet zien dat stadsvernieuwing niet noodzakelijkerwijs armzalig hoefde te zijn en weer een culturele opgave kon zijn.”

Het vroege succes van Mecanoo was voor Houben niet een oude jeugddroom die uitkwam. „Aan het einde van de middelbare school was architect worden niet mijn ideaal”, vertelt ze. „Ik wist toen eigenlijk niet precies wat ik zou gaan doen. Pas toen ik eens meeging met mijn oudere broer die bouwkunde studeerde in Delft en in de hal kwam waar de maquettes staan, dacht ik: dit is wat ik wil.”

Francine Houben werd in 1955 in Sittard geboren als dochter van een Limburgse vader en een Achterhoekse moeder. Het gezin Houben – twee meisjes, drie jongens – liet in Heerlen een huis bouwen, maar dit werd niet het eeuwige home van het gezin. De Houbens verhuisden vaak, naar onder meer Groningen en Den Haag.

De vele verhuizingen hebben haar gevormd, vindt Houben zelf. „Ze hebben ervoor gezorgd dat ik me overal gemakkelijk aanpas”, zegt ze. „Misschien heeft dit vermogen tot aanpassing er ook voor gezorgd dat ik niet in één stijl werk. Eigenlijk ben ik helemaal niet geïnteresseerd in stijl. Hoe een gebouw wordt, hangt bij mij af van de opdrachtgever en de omgeving waar het komt te staan.”

Ondanks Houbens afkeer van ‘stijl’ werd het Mecanoo van de jaren tachtig het boegbeeld van de toenmalige Nederlandse architectuurstijl bij uitstek: het neomodernisme. „Alle vijf Mecanoos hebben zich dankzij docenten als Max Risselada het oude modernisme eigen gemaakt”, legt TU-docent Van Dijk uit. „Al die bekende ontwerpen van de historische avant-gardisten als Ernst May en Le Corbusier hebben ze in hun hoofd. Het modernisme is voor hen vooral een vormtraditie; de notie dat je met architectuur de wereld kunt verbeteren, hebben ze niet overgenomen van de oude modernisten. Ze hielden zich ook verre van alle theoretische praatjes die je toen aan de TU in Delft kon horen. Ze gingen empirisch te werk, ze gingen de straat op en gingen kijken wat mooie lantaarns en mooi straatmeubilair waren. ‘Mooi’ was heel belangrijk voor Mecanoo en dat is het nog steeds voor Francine Houben.”

Toch waren niet de Europese avant-gardisten uit het interbellum de belangrijkste inspiratiebron voor Houben, maar twee naoorlogse Amerikaanse vormgevers, Charles en Ray Eames. „Dat was het ideale stel voor me, aan wie ik me spiegelde’’, zegt Houben. „Ik heb Ray Eames nog opgezocht in het door haar en haar man ontworpen huis in Los Angeles, en ben tot haar dood in contact met haar gebleven.”

Net als de Eamesen bouwden Houben en Erick van Egeraat een eigen huis, weliswaar niet bij de kust van de Grote Oceaan, maar aan de Kralingse Plas in Rotterdam. Het in 1991 voltooide woonhuis laat zien dat het werk van Mecanoo in de loop van de jaren tachtig van karakter was veranderd. Waren gepleisterde gevels in de begintijd een belangrijk kenmerk van de Mecanoo-gebouwen, het huis van Houben en Van Egeraat is een collage van materialen, zoals riet, koper, glas, beton en hout. „In dit huis kun je zien dat het eclecticisme van Mecanoo zich midden jaren negentig had verbreed”, zegt Van Dijk. „Van bijna elk onderdeel van het huis kun je zeggen waar het vandaan komt. Dit komt uit Japan, dat uit Californië en dat uit Finland. Mecanoo neemt alles over wat ze mooi vinden.”

Van Egeraat en Houben en hun drie kinderen (een dochter en een jongenstweeling) woonden niet lang samen in hun schitterende huis. Na enkele jaren gingen ze uit elkaar, en in 1995 verliet Van Egeraat Mecanoo om een eigen bureau te beginnen en veel buitenlandse opdrachten te verwerven . Eerder, in 1989, had Roelf Steenhuis het bureau al verlaten, later volgden ook Chris de Weijer en ten slotte, in 2003, ook Henk Döll.

„In de begintijd van Mecanoo werkten we altijd met minimaal twee partners aan een project, soms met drie of zelfs vier”, legt Henk Döll uit in een e-mail over de geleidelijke reductie van Mecanoo tot Francine Houben. „Je tekende zelf mee, schreef bestekken en maakte begrotingen. Alles werd intern besproken en daardoor kwam je goed beslagen ten ijs in vergaderingen met opdrachtgevers en bewoners. Achteraf bezien was het ook een beetje een middel om onze onervarenheid in die tijd te compenseren. Dat werkte goed.

„Gaandeweg groeiden onze ervaring en de omvang van het bureau. De noodzaak werd minder om bij alles samen te werken Vanaf 1989 ben ik meer plannen afzonderlijk gaan ontwerpen. De start van mijn nieuwe bureau, bijna vijf jaar geleden, was voor mij dan ook een logische stap.”

Ondanks de superesthetische benadering van architectuur die Van Dijk toeschrijft aan Mecanoo, bespeuren anderen toch een engagement bij Francine Houben. „Ze maakt meer dan mooie gebouwen”, zegt Adri Duivesteijn, wethouder in Almere, die Houben door zijn verleden als wethouder in Den Haag en directeur van het Nederlands Architectuurinstituut goed kent. „Ze houdt zich ook altijd bezig met de publieke ruimte. Als ze een Vinex-buurt, zoals Prinsenland in Rotterdam, ontwerpt, dan zorgt ze ervoor dat ook de openbare ruimte goed wordt. Typisch voor haar betrokkenheid bij de publieke zaak was de raad die ze gaf over het nieuwe Haagse stadhuis van Richard Meier, toen ik haar daar om vroeg. Om het gebouw rendabel te maken ontwikkelde het zich in de richting van een shopping mall. We hebben toen een avond lang alle tekeningen van Meier doorgenomen. Eenmaal thuis, heeft ze uit onvrede over de commercialisering van het stadhuis een voorstel getekend waarin het weer een echt publiek gebouw werd. Toen Richard Meier dat zag, zag hij er een rehabilitatie van zijn oorspronkelijke plannen in.”

Peter van der Gugten, algemeen directeur van de projectontwikkelaar Proper Stok, die onder meer Prinsenland met Houben heeft gebouwd, stelt bij haar ook een betrokkenheid met de bewoners vast. „Ze houdt heel erg rekening met hoe haar gebouwen door de bewoners wordt gebruikt”, zegt hij. „Vaak zie je bij architecten dat mensen een soort noodzakelijk kwaad zijn. Maar Houben heeft echt belangstelling voor ze. Ze is altijd bezig met hoe haar gebouwen functioneren in de stad en in de maatschappij. Als ze een buurtje ontwerpt, creëert ze bijvoorbeeld plekken waar kinderen goed kunnen spelen.”

Duivesteijn stelt ook engagement met de opdrachtgever vast bij Houben. „Ze leeft zich in in wat de opdrachtgever wil”, zegt hij. „Dat wil niet zeggen dat ze nooit strijd levert om alles uit een opdracht te halen wat er in zit. Maar ze geeft de opdrachtgever nooit het gevoel dat hij concessies moet doen. Ze voert vooral een strijd met zichzelf.”

Ook na de voltooiing van haar huis heeft Houben zich verder ontwikkeld. De laatste jaren worden haar gebouwen steeds sculpturaler.

„Mijn werk is monumentaler geworden”, zegt ze. „Ik maak nu ook ‘iconen’ als dat nodig is. Na een lange leertijd heb ik het gevoel dat het vak nu beter beheers. Ik voel me vrijer bij het ontwerpen en heb er meer controle over.”

Met het langer worden van haar oeuvrelijst, groeide ook het aantal nevenfuncties. In 2000 kreeg ze aan de Technische Universiteit Delft de leerstoel mobiliteitsesthetiek, een begrip dat ze een jaar eerder had geïntroduceerd: ook het rijden op snelwegen moest ‘mooi' worden, vindt ze. In 2002 werd ze stadsbouwmeester van Almere, een functie die ze tot dit voorjaar vervulde en die toen werd omgezet in een adviseurschap over de toekomst van de stad. In hetzelfde jaar werd ze de curator van de eerste Architectuurbiënnale van Rotterdam, die een jaar later plaatshad, met als thema mobiliteit. In 2003 werd ze ook lid van het International Design Committee van Londen.

Bij deze en vele andere nevenfuncties komt nog haar huwelijk met Hans Andersson, de invloedrijke organisatieadviseur die vaak werkt voor de PvdA en voorzitter is van de Raad van Toezicht van het Nederlands Architectuurinstituut. Voor het adviesbureau Andersson Elffers Felix verzorgde Houben in 1998-2000 de uitbreiding van het kantoor in Utrecht.

Ondanks haar vele nevenfuncties en huwelijk met Andersson ziet Houben zichzelf niet als een machtig architect. „Ik heb eerder last van mijn huwelijk met Hans Andersson”, zegt ze. „Soms kom ik niet in aanmerking voor bepaalde opdrachten, omdat hij er op een of andere manier bij betrokken is.” Ook Duivesteijn gelooft niet dat Houben een machtig architect is. Om macht is het haar in ieder geval niet te doen, zegt hij: „Machtig is een verkeerd woord voor haar.”