Eilandstaat Tuvalu geeft zich tien jaar

Tuvalu is een aflopende zaak. Dat begrijpen de Tuvaluanen zelf eigenlijk ook wel. Een stijging van de gemiddelde temperatuur met twee graden is voor dit piepkleine staatje in de Stille Oceaan al te veel. Terwijl iedereen op de grote Bali-conferentie al heel gelukkig zou zijn wanneer het daarbij zou blijven.

Tuvalu is een van die atollen die op een goed moment een vlag hebben gehesen, een volkslied hebben bedacht en voor zichzelf zijn begonnen. Tuvalu deed dat in 1978, tot die tijd was het Brits gebied geweest.

Amper tienduizend inwoners kent het stipje – een paar Ikea’s groot, alles bij elkaar. Plus natuurlijk een flinke strook beton, want er moet een groot vliegtuig landen. Vanwege de lange afstanden; de Fiji-eilanden liggen het dichtst bij, altijd nog ruim twee uur vliegen.

Vicepremier Tavau Teii leidde de klimaatlobby voor zijn land op de klimaatconferentie van Bali. Maar waar lobbyt hij eigenlijk voor?

„Voor mijn land, voor hulp”, zegt Teii.

Het is niet alleen de stijgende zeespiegel, maar het zijn vooral de toenemende orkanen waarmee Tuvalu te maken heeft. Tien keer per jaar staat het eiland blank door stormen die de zee opstuwen. De vicepremier: „Dan kun je de oogst weggooien en ons drinkwater wordt vervuild.”

Wanneer het land wordt opgeheven, wil hij niet zeggen. Maar er zijn inmiddels afspraken met Nieuw-Zeeland en er is overleg met Australië. Daar zouden de Tuvaluanen heen kunnen als hun land verdwijnt.

Wanneer? De minister haalt de schouders op, maar zijn assistent zegt: „De oudere mensen willen niet weg en dus blijven de jongeren ook. Maar een jaar of tien lijkt me toch wel het maximum.”