Vergeef mij, vergeef ons

Japan richtte zeventig jaar geleden een bloedbad aan in het Chinese Nanking. „Waarom ik werd vrijgesproken, begrijp ik nog steeds niet.”

Zijn knobbelige handen beven van ouderdom, de microfoon versterkt zijn vaag hijgende ademhaling. Kiyoshi Sakakura, voormalig infanteriesoldaat in het Japanse keizerlijke leger, vertelt hoe hij als arme, ongeletterde boerenzoon op de slagvelden van China een „oorlogsmisdadiger” werd. De strop was nog te mild geweest, vindt hij.

„Ik heb de rechters gevraagd om de allerzwaarste straf als vergelding voor mijn misdaden, maar zij stuurden mij naar huis, terwijl anderen werden opgehangen. Ik mocht in 1950 na tien jaar legerdienst en vijf jaar krijgsgevangenschap in Siberië naar huis. Waarom de Chinese rechtbank mij vrijsprak, begrijp ik vandaag nog steeds niet”, fluistert de 87-jarige veteraan in zondags pak en smetteloos overhemd.

Honderden studenten van de Universiteit van Nanking luisteren gefascineerd naar Sakakura, die af en toe een slokje neemt van zijn hete thee. Het gegiechel over zijn gorgelend staccato-Japans is dan allang verstomd, alle iPods zijn uitgeschakeld en er wordt niet meer stiekem ge-sms’t. Het besef dat hun ouders en grootouders slachtoffers van de Japanners waren, is bijna tastbaar.

Sakakura, wiens relaas wordt vertaald door een beroemde tv-journaliste uit Hongkong, vertelt over het systematische sadisme van de Japanners tijdens de bezetting van oostelijk en noordelijk China.

Negentien miljoen Chinezen stierven in deze Tweede Japans-Chinese oorlog (van juli 1931 tot augustus 1945) die in Azië uitmondde in de Tweede Wereldoorlog en eindigde met het Amerikaanse bombardement op Hiroshima en Nagasaki.

Gruwelijk dieptepunt was de val van Nanking op 13 december 1937, deze week zeventig jaar geleden. De herdenking is de reden waarom de Japanner naar Nanking is gekomen. De oude keizersstad was toen de hoofdstad van het nationalistisch China van Chiang Kai-shek. Nadat diens leger was verslagen en verdreven, doodden de Japanners hier in een paar weken tijd 300.000 van de 700.000 inwoners. Maar herdenken, zo blijkt, is als een gang door een politiek en diplomatiek mijnenveld. Zeventig jaar na dato betwisten conservatieve Japanse historici en politici, gesteund door filmmakers en enkele journalisten, nog altijd de feiten die door het naoorlogse International Military Tribunal for the Far East (IMTFE) bewezen werden verklaard. Tot de dag van vandaag wordt het bloedbad in Nanking gebagatelliseerd, vooral in Japan. In weerwil van het overweldigende bewijs in de vorm van duizenden Chinese en Japanse getuigenissen, foto’s, films en dagboeken van Amerikaanse missionarissen en de Duitser John Rabe, destijds directeur van Siemens in China en een vooraanstaande nazi.

Van de zeven nieuwe films en documentaires die dit jaar in Japan, China en de Verenigde Staten zijn gemaakt of op het ogenblik in productie zijn, trekken drie als conclusie dat de verkrachting van Nanking nooit heeft plaatsgehad óf overdreven wordt om politieke redenen. Japanse soldaten hebben zich doorgaans gedragen als goedaardige, humane bezetters, is de stelling van documentairemaker Satoru Mizushima, tevens de webmaster van de rechtse site Sakura. Laat die Chinezen naar hun eigen gewelddadige geschiedenis kijken. Hoeveel doden heeft Mao niet veroorzaakt, schrijft hij op zijn site. En: „China wil bepalen wat de wereld moet denken over Japan.”

Zelf was „oorlogsmisdadiger” Sakakura niet rechtstreeks betrokken bij ‘Nanking’. Hij is uitgenodigd om Chinese studenten in Nanking, Peking en Hongkong te vertellen over de mentaliteit en de barbaarse gedragingen van de Japanse soldaten.

„Ik ben hier gekomen omdat in mijn eigen land de feiten, onze gewelddadige geschiedenis, tot op de dag van vandaag wordt ontkend. Beschouw het alsjeblieft als mijn boetedoening. De waarheid, die ik lang verzwegen heb, opbiechten, is de enige reden waarom ik nog leef”, zegt hij in antwoord op de vraag van de 22-jarige Deng Ran.

Deze studente journalistiek wil weten waarom hij, als hij zelf vindt dat hij destijds ter dood veroordeeld had moeten worden door een Chinees oorlogstribunaal, geen zelfmoord heeft gepleegd. Zij vindt zijn antwoord niet helemaal bevredigend, maar waardeert zijn komst. Achter in de zaal zit een hoogbejaarde, tengere vrouw met bleekblauwe, half-blinde ogen heftig te knikken.

Bijna 88 is mevrouw Xia Shuqin en ze heeft drie dikke truien over elkaar aan, want collegezalen worden hier in de regel niet verwarmd. Zij was acht jaar oud toen soldaten voor haar ogen haar vader en haar eenjarige zusje vermoordden, haar moeder verkrachtten en afmaakten met een bajonet. Bij ieder gruwelijk detail in Sakakura’s relaas sluit zij even de ogen.

Als hij vertelt over de blik van de vrouw die hij verkrachtte of de baby die door zijn compagniecommandant aan een mes werd gespietst, huilt zij zachtjes. De jonge boer die hij op de deur van een hut kruisigde, omdat hij zijn dochters wilde beschermen, had haar vader kunnen zijn. Alleen al in Nanking werden 80.000 vrouwen verkracht en gedood nadat hun borsten waren afgesneden.

Mannen en jongens werden onmiddellijk geëxecuteerd, omdat verondersteld werd dat zij behoorden tot het nationalistische leger of de communistische guerrilla’s. Sakakura: „Wij beschouwden de Chinezen als onmensen, als varkens. Een varken was meer waard, omdat we die konden opeten. Wij geloofden in de goddelijke kracht van de keizer, in onze voorbestemming als heersers van de wereld. We stelden ons altijd de vraag: wie is groter, god of de keizer. Ons antwoord was de keizer. Wij waren hier gekomen omdat China aan ons toebehoorde.”

Hij staat op en buigt stram maar diep: „Vergeef mij, vergeef ons.”

Er wordt kort, beleefdheidshalve, geapplaudisseerd.

Op Deng Ran na heeft niemand een vraag durven stellen.

Alleen mevrouw Xia staat op, loopt kwiek naar Sakakura op het podium toe en geeft hem een hand: „Het is goed wat je doet, oude man. Het is goed dat je onze kinderen de waarheid komt vertellen. Ik hoop dat je ook de moed hebt dat in je eigen land te doen.”

De Japanner antwoordt: „Dat beloof ik je, dat doe ik ook.”

De foto van Xia en Sakakura staat de volgende dag in alle Chineestalige kranten van Nanking en Shanghai als symbool van verzoening, maar over Sakakura’s tekst wordt niets gemeld. Te gevoelig.

De Chinese vrouw en de Japanse oud-soldaat hebben niet alleen een gemeenschappelijke geschiedenis, maar zijn op het ogenblik ongewild pionnen in de strijd om de nagedachtenis van de Japanse invasie, de gebeurtenissen in Nanking in het bijzonder. Xia en Sakakura worden financieel bijgestaan door Japanse vredesgroepen en activisten onder wie de Tokiose advocaat Shinichiro Kumagai, die in strijd verwikkeld zijn met de conservatieve nationalisten in eigen land. „Ik voel me inderdaad wel eens gemanipuleerd”, erkent mevrouw Xia als zij bij haar thuis heet water met sinaasappel en appel heeft neergezet.

Kumagai is met Sakakura meegekomen naar Nanking en introduceert de oorlogsveteraan bij de Chinese studenten als een bewijs dat niet alle Japanners „de waarheid willen ontkennen”. De advocaat heeft ook de reis van de oude man betaald.

Advocaat Kumagai, na afloop in een café op de uitgestrekte campus: „Nationalisten in mijn land willen leven met een grote leugen. Zij manipuleren de waarheid en verschuilen zich achter de wandaden die de communisten in China later hebben gepleegd. Daar gaat het niet om. Het is hoog tijd dat wij onze excuses aanbieden en overgaan tot herstelbetalingen.” De excuses van de Japanse premier Maruyama in 1995, vijftig jaar na afloop van de oorlog, waren volgens hem niet voldoende.

Met steun van Japanners als Kumagai heeft mevrouw Xia na jarenlang procederen begin november een kleine overwinning behaald. Volgens een rechter in Tokio hebben de Japanse historicus Shudo Higashinakano en zijn uitgever Toshio Matsumuru haar goede naam en waardigheid aangetast door haar getuigenissen in twijfel te trekken. Zij is, zegt en schrijft Higashinakano voortdurend, een bedriegster en de foto’s en films van haar als jong, verweesd meisje in de ruïnes van Nanking zijn nep.

Bij haar thuis – een grote, ijskoude vierkamerflat in een anonieme buitenwijk van miljoenenstad Nanking – vertelt zij dat zij bijna blind is geworden van het vele huilen en dat zij nooit heeft begrepen waarom een geleerde man als professor Higashinakano de talrijke rechtszittingen heeft gemeden. Fel: „Hij heeft mij nooit rechtstreeks durven zeggen dat ik een leugenaarster ben. Hij is nooit komen opdagen. Ik kwam helemaal uit China. Hij is een lafaard en een leugenaar.” Bijna spuugt zij van kwaadheid op de schone vloer, maar ze houdt zich in.

Als hij wél was komen opdagen had zij hem verteld over haar moeder, haar opa en oma en al haar zusjes die voor haar ogen werden verkracht en gedood. Zelf werd zij driemaal gestoken met een bajonet tot de Japanners dachten dat zij ook dood was. In haar met bloed doorweekte kleren verborg zij zich onder de lichamen van haar familieleden en later onder tarwestro. Zij werd daar ontdekt door buren die haar naar de ‘veiligheidszone’ brachten.

Deze zone, een vluchtelingenkamp in de stad, was ingericht door Siemens-directeur Rabe, die als hooggeplaatste nazi gezag had bij de Japanners, en door de Amerikaanse missionarissen in de pre-communistische hoofdstad.

Rabe, naar later bleek meer socialist dan nazi, redde tienduizenden inwoners van Nanking, onder wie mevrouw Xia.

Zijn in 1942 uitgegeven dagboek is het enige boek in haar kast. Lezen is onmogelijk, want geschreven in het Duits, maar de foto’s vertellen haar verhaal.

Zowel Oliver Stone als de Hongkongse regisseur Yim Yo werken aan films over Rabe, die de Oskar Schindler van Azië wordt genoemd en nog altijd in Nanking wordt geëerd. „Dat werd hoog tijd”, vindt Min Qin, componist te Nanking, die de muziek schrijft voor Nanjing Christmas 1937 van Yim Yo. De grootouders, twee tantes en een oom van Min werden door de Japanners vermoord. „Rabe was een zeer bijzondere man, een nazi, maar in de eerste plaats een vriend van de Chinezen, hij is ereburger van Nanking.” Min – veertiger met een hanekam in een fel gekleurd motorjack – hoopt dat Brad Pitt of Tom Cruise ja zeggen op het verzoek van regisseur Yo om de hoofdrol te spelen.

Uiteraard heeft Min Schindler’s List van Spielberg gezien. „Wat de Duitsers na de oorlog gedaan hebben met Israël en de joden, moeten de Japanners ook doen. Zij moeten excuses aanbieden en in ieder geval mensen als mevrouw Xia helpen. Al die overlevers zijn doodarm, ziek en hoogbejaard. Wat zou dat nou kosten?”

Uiteraard weet hij dat de Japanners dat niet zullen doen en de Chinese autoriteiten in Peking daar ook niet op aandringen. Al in 1991 heeft China een streep gezet onder het verleden en banden aangeknoopt met Japan. Een besluit waar volgens Min heel veel Chinezen het niet mee eens zijn. Maar ze kunnen er niets aan doen.

„Toen ik voor het eerst naar school ging begon hier de Culturele Revolutie”, herinnert Min zich. „Tijdens de geschiedenisles is de Japanse bezetting nooit heel grondig ter sprake gekomen. We hoorden daar thuis heel veel over van mijn moeder, maar op school bijna geen woord. Alleen maar zijdelings als het ging over de strijd tegen de nationalisten. Pas sinds een jaar of tien wordt deze fase van onze geschiedenis in de boeken vermeld.”

Communistisch China had na de oorlog andere prioriteiten, zegt hij voorzichtig. Historici hebben de stilte in China over de bezetting en Nanking altijd verklaard met een cultureel argument: de schaamte over het gezichtsverlies na de nederlaag van het Chinese leger in de strijd met de Japanners zou openlijke rouwverwerking en herdenking in de weg staan. De vernederingen op het slagveld, de verkrachtingen en moorden zouden niet passen bij het beeld van een nieuw, krachtig en communistisch China. Bovendien, archieven van het leger en de stad werden tijdens de strijd tussen communisten en nationalisten vernietigd en ook in de Culturele Revolutie ging veel materiaal verloren.

De geslotenheid van China is ook een van de redenen waarom het tot de tweede helft van de jaren negentig duurde voordat boeken verschenen als De Verkrachting van Nanking van de in 2004 gestorven Iris Chang. Pas na de dood van Mao Zedong gingen geleidelijk aan steden als Nanking open en werden archieven openbaar. Dat met de grote hoeveelheid Amerikaans en Duits materiaal niet al veel eerder boeken zijn gemaakt, kwam volgens Chang in 1996 doordat Japan een bondgenoot van het westen was in de strijd tegen communistisch China en de Sovjet-Unie.

Componist Min heeft de Chinese versie van het boek van Chang gelezen. Haar pleidooi om in China van 13 december een nationale gedenkdag te maken, steunt hij maar hij weet ook dat het er niet snel van zal komen.

Het verder versterken van „de steeds nauwere banden” (staatspersbureau Xinhua) met Japan krijgt voorrang van de autoriteiten in Peking. Er zijn weliswaar diepgaande meningsverschillen over geschiedschrijving, maar het zeer welvarende Japan is de belangrijkste Aziatische handelspartner van het vele maken armere China en dat weegt in hedendaags Peking zwaarder.

De Japanse ontkenning van ‘Nanking’ ontgaat niemand in China, zoals ook de bezoeken van Japanse premiers aan Yasukuni Tempel, waar geëxecuteerde oorlogsmisdadigers van de zogeheten A-klasse worden geëerd, voorpaginanieuws in China zijn.

Toch gaat de Chinese president Hu Jintao volgend jaar voor het eerst in zijn ambtstermijn naar Japan. Ook trachten ministeriële delegaties – tot nu toe vergeefs – geschillen over olie- en gaswinning in de Oost-Chinese Zee, de erkenning van Taiwan door Japan en het Chinese buitenlandse beleid in bijvoorbeeld Myanmar, op te lossen. Herdenken mag van Peking zolang staats- en handelsbelangen maar niet in de knel komen.

Film- en documentairemakers moeten, voordat zij toestemming krijgen om in Nanking te filmen, een moeizame procedure doorlopen. En zij dienen rekening te houden met de censuur, die toeziet dat de cineasten Japan niet al te grof beledigen.

„Dat is allemaal politiek, daar bemoei ik mij niet mee”, ontwijkt componist Min Qin, die in Nanking ook een steunpilaar is van het plaatselijke herdenkingscomité. „Het gaat erom dat de Japanse invasie een diep trauma heeft veroorzaakt. Dat mag niet vergeten worden. Japanners zijn hier in Nanking nog steeds niet erg geliefd. Als een Japans bedrijf hier de vlag hijst, ontstaan er zeker moeilijkheden. De mensen zijn hier nog steeds niet weg van Japanse producten.”

Hij wijst naar buiten, alsof dat iets bewijst. Er rijdt net een Toyota Landcruiser voorbij. Nanking anno 2007 is een miljoenenstad, niets herinnert nog aan de keizers of aan het tijdperk voor het communisme. Alle oude wijken zijn gesloopt, zelfs de eeuwenoude stadsmuur is op een paar toeristische kilometers na geheel verdwenen. Het stadsbeeld wordt mede bepaald door reclames van Japanse producten, Chinese yuppen rijden in dure Japanners en internetten op Japanse laptops in de Starbucks-cafés, waar prijzige cappuccino’s worden geserveerd.

Elders in het land werken 10,2 miljoen Chinezen in Japanse ondernemingen en in Shanghai kunnen in bijvoorbeeld het Franse restaurant Franck aan Ferguson Lane oudere Japanse zakenmannen met hun jonge Chinese vriendinnen gesignaleerd worden.

Componist Min Qin zegt het mevrouw Xia na: „Het gaat er om dat we het niet vergeten en dat de Japanners erkennen wat zij hebben veroorzaakt. Het gaat er niet om een nieuw conflict met Japan uit te lokken”.

De enige die daaraan ongevraagd toevoegt dat dan misschien ook de 20 miljoen slachtoffers van het communistische tijdperk herdacht moeten worden, is de jonge studente journalistiek Deng Ran, die zich voorstelt met haar Engelse naam Cecilia.

Ran/Cecilia, niet te onderscheiden van haar leeftijdgenoten in Japan, de VS of Europa peinst als we in de eetzaal van de campus napraten: „China is nog nooit zo open geweest als in deze tijd, maar er zijn nog heel veel taboes als het over de verwerking van het verleden gaat. Ik denk dat wij en de Japanners nog veel kunnen leren op dat gebied.” ◀