Stijl als middel om te overtuigen

Met de bekroning van het werk van Abram de Swaan slaat de P.C. Hooftprijs welbewust een nieuwe weg in. De keuze voor deze uitmuntende stilist is veilig en verstandig.

De bekroning van socioloog Abram de Swaan met de belangrijkste Nederlandse literaire prijs is een breuk met de laatste jaren. Essayisten die de P.C. Hooftprijs kregen waren de laatste decennia doorgaans letterkundigen of schrijvers, vaak al op leeftijd en in sommige gevallen al bijna vergeten. De laatste drie bekroonde essayisten waren Frédéric Bastet (2005), Sem Dresden (2002) en Arthur Lehning (1999). Van hen is alleen Bastet (nu 81) nog in leven.

De Swaan is met zijn 65 jaar niet alleen relatief jong, hij is ook veel bekender als wetenschapper dan als literator. Dat maakt de uitverkiezing van De Swaan tot een verrassing.

Toeval is die bekroning echter niet, zoals blijkt uit de samenstelling van de jury. Die bestond dit jaar uit een wetenschapshistoricus (Dirk van Delft), een sterrenkundige (Vincent Icke), een historica en columniste (Amanda Kluveld), een sociaal-psycholoog (Beatrijs Ritsema) en één neerlandicus (René van Stipriaan). Kennelijk wilde de Stichting P.C. Hooftprijs de driejaarlijkse bekroning van een essayistisch oeuvre (in de andere jaren zijn prozaïsten en dichters aan de beurt) een nieuwe impuls geven met een winnaar van buiten de kleine literaire kring.

Dat de jury vervolgens bij De Swaan uitkwam, is een veilige en verstandige keuze. De Swaan is weliswaar wetenschapper, maar hij heeft altijd dicht tegen de literaire wereld aangezeten en hij speelt een constante rol in het publieke debat. De Swaan werd in Amsterdam en de Verenigde Staten opgeleid als politicoloog, maar was ook redacteur van het literaire studentenblad Propria cures en van De Gids. Naast het wetenschappelijke werk dat hem een internationaal vermaard socioloog maakte (zoals Zorg en de staat uit 1989) bleef hij essays en columns produceren, onder meer in deze krant. Die werden onder meer gebundeld in De mens is de mens een zorg (1982) en Perron Nederland (1991). In de boeken worden uiteenlopende onderwerpen behandeld als Freud, de Randstad, de omgang met de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog en de overgang van bevel- naar onderhandelingshuishouding.

De Swaans werk kenmerkt zich door een analytische inzet en een uitgesproken heldere en precieze formuleringen. Dat heeft hij gemeen heeft met zijn tien jaar oudere Amsterdamse collega Johan Goudsblom. De Swaan noemde Goudsblom gisteren dan ook direct na de bekendmaking als een van zijn grote voorbeelden.

Zelf beschouwt De Swaan het essay als een genre waarin de overtuigingskracht van een betoog „niet alleen ligt in de argumentatie, maar ook in de stijl”. De jury van de P.C. Hooftprijs lijkt dat van harte met hem eens te zijn. In het juryrapport staat: „Hoewel hij zijn lezers niet onderschat en geen moeite doet om complexe materie eenvoudiger voor te stellen dan die is, valt er in zijn hele oeuvre geen onbegrijpelijke zin aan te wijzen.”

De jury schrijft ook dat De Swaans nieuwsgierigheid de grenzen van zijn vakgebied ver te buiten gaat. Die nieuwsgierigheid leidde onder meer tot een eigen praktijk als psychoanalyticus in de jaren zeventig, maar ook tot een boek als Woorden van de wereld. Het mondiale talenstelsel uit 2002, waarin hij onderzocht hoe de verschillende talen zich tot elkaar verhouden en op grond van welke factoren mensen besluiten een bepaalde taal te spreken.

In zijn afscheidscollege als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam pleitte De Swaan begin dit jaar nadrukkelijk voor het slechten van barrières tussen verschillende wetenschapsgebieden. Zoals zijn bekroning met de hoogste Nederlandse literaire eer ook als een kleine doorbraak kan worden beschouwd.