Serviërs komen weer thuis in Kosovo

Na de verloren oorlog om Kosovo in 1999 sloegen 100.000 Serviërs op de vlucht, veelal in eigen land. Zestig Serviërs keerden begin december terug naar hun geboortedorp Berkovo.

Vernield graf van een verongelukt meisje van 4 jaar op de Servische begraafplaats van Berkovo. Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Vernield graf van verongelukt meisje van 4 jaar op Servische begraafplaats van Berkovo Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 071210 Boyer, Maurice

De fleurige bloemen in het patroon van de slaapzak geven nog wat kleur aan het geheel. Verder overheersen de grijstinten in de woning van Miladin Lazarevic.

Het kettingroken van zijn oom Miloš en de Albanese overbuurman Gjokë maken het er al niet veel beter op. Drie mannen, op kapotte stoelen rond een formicatafel met volle asbakken. In de hoek het onopgemaakte bed. „Wat maakt het uit”, lacht Miladin. „Er zijn toch geen vrouwen in de buurt die klagen over het zooitje hier.”

Twee weken geleden kreeg Miladin de sleutels van zijn nieuwe huis, en zo begon voor hem een nieuw leven op bekend terrein. Een eenvoudige éénkamerwoning, aan de hoofdweg in het Kosovaarse dorp Berkovo waar Miladin is geboren en getogen.

Na de door Servië verloren oorlog om Kosovo sloegen honderdduizend Kosovo-Serviërs op de vlucht. Miladin, toen dertig, belandde in een kamp in Smederovo in Servië. Zijn nieuwe status: vluchteling in eigen land.

In maart 1999 was het begonnen met de verdrijving van de Albanezen uit Kosovo; drie maanden later, na de NAVO-bombardementen, sloegen op hun beurt de Serviërs op de vlucht. In juni arriveerden soldaten van het Kosovo-Albanese bevrijdingsleger UÇK in Berkovo en staken er alle Servische huizen in brand.

Voor Miladin en zijn oom Miloš is het nog altijd een nachtmerrie. Zij hadden de oorlog nooit gewild. Gjokë, de overbuurman, net zomin. „We vierden elkaars feesten.” Vanaf de overkant zag hij hoe soldaten de huizen van de familie Lazarevic plunderden en verwoestten. „Ik durfde niet met die UÇK’ers in discussie te gaan.” Zijn ogen schieten vol. Met zijn pet droogt hij zijn wangen.

Vandaag is Gjokë voor het eerst de weg overgestoken naar Miladin, met één euro als welkomstgeschenk. Het is acht jaar na de oorlog. „We zijn weer thuis”, zegt Miloš die verderop een nieuwe woning betrok.

In Kosovo (twee miljoen inwoners) vormen de Kosovo-Albanezen met ruim 90 procent de ruime meerderheid; de Servische minderheid van honderdduizend zielen leeft in het noordelijke gedeelte van de stad Mitrovica en in kleine enclaves verspreid over de Servische provincie. Naar schatting nog eens honderdduizend Serviërs leven nog altijd buiten de grens, de meesten in Servië.

Onder supervisie van het United Nations Development Program financiert de Kosovaarse regering de wederopbouw van huizen om de repatriëring van de voormalige bewoners te bevorderen. Maar veel animo is er niet. Sinds 1999 keerden volgens VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR slechts 17.000 Serviërs terug. Er is amper werk in Kosovo, de armoede is groot. Velen wacht een geïsoleerd leven in dorpen omringd door KFOR-soldaten die hun veiligheid moeten garanderen.

Miladin, Miloš en 58 andere Serviërs – onder wie vier vrouwen en vier kinderen – hebben het er toch op gewaagd. In hun geboortedorp Berkovo is sinds hun terugkeer de verhouding tussen Albanezen en Serviërs in balans.

Behalve een nieuw huis kregen ze per persoon 2.000 euro, verplicht te besteden aan goederen zoals landbouwwerktuigen, om werk te creëren.

Radoman Jeremic, een jonge Serviër met een imposante baard, denkt erover de pruimenboomgaard in ere te herstellen. „De Albanezen hebben tijdens onze afwezigheid alle bomen omgezaagd om er de kachel mee te stoken”, zegt Jeremic.

Hij staat tussen de ruïnes van geblakerde huizen in de deuropening van zijn nieuwe woning. „Nu nog vrouwen vinden, dan beginnen we helemaal overnieuw”, lacht Jeremic. Maar veel kans geeft hij zichzelf niet, „zolang ik niks te bieden heb”. Internetdating? „We hebben hier niet eens televisie of een goede radio-ontvangst.”

Voor Miladin Lazarevic maakt het niet uit of de Kosovo-Albanezen de onafhankelijkheid van Kosovo uitroepen. Het verandert niets aan zijn bestaansrecht, zegt hij. „Dit is mijn grond, hier liggen onze voorvaderen begraven. Al worden de zigeuners de baas in Kosovo, als ik hier maar weer aan de slag kan als boer.”

In de namiddag gaat een groep mannen over een modderige weg omhoog, naar de begraafplaats op de heuvel. Tussen de struiken liggen verspreid de brokstukken van Servische graven die door Albanezen werden vernield.

Zijn eerste ontmoeting met Albanezen heeft Radoman Jeremic niet hoopvol gestemd. „Ik werd na een tocht over de akkers bij terugkeer opgewacht door een Albanees met een stuk hout in zijn handen. Hij begon te schreeuwen: Wat moet je hier, vuile cetnik [Servische nationalist, red.]? Hoeveel van onze kinderen heb je vermoord?” Jeremic ging er vandoor.

In de rokerige kamer van Miladin valt na een poos toch het onvermijdelijke woord onafhankelijkheid. Tussen oom Miloš en de Albanese overbuurman Gjokë ontstaat een felle woordenwisseling over hoeveel huizen voor de oorlog Servisch of Albanees waren.

„Miloš, je staat mij net zo na als mijn broer”, zegt Gjokë. „Maar jullie zullen als Serviërs straks de realiteit moeten accepteren en je onderwerpen aan de regering van een nieuw land.”

„Mij vraagt niemand wat”, zegt Miladin. „Hoeft ook niet. Ik behoor nu tot de minderheid. We moeten aan de slag. Een school bouwen. Misschien ook een kerk. En ik wil een gezin stichten.”