Rem de feestvreugde

Achttien jaar lang leidde prof. Klaas van Egmond het Milieu- en Natuur-Planbureau. Nu gaat hij weg. ‘Waar de beschaving voorbij komt, ben je de helft van de natuur kwijt.’ Arjen Schreuder

Hoe zeer kan een mens een zaak zijn toegedaan? Prof. ir. N.D. van Egmond (61) neemt binnenkort definitief afscheid van het Milieu- en Natuur Planbureau. Dat opereerde vroeger als onderdeel van het RIVM in Bilthoven, tot het twee jaar geleden zelfstandig verder is gegaan. Zo’n achttien jaar was Klaas van Egmond er directeur. Blijmoedig heeft hij het ene alarmerende rapport na het andere gepresenteerd aan ministers en staatssecretarissen van milieu en natuur, onverschrokken de irritatie van politiek Den Haag incasserend. Want de milieudoelstellingen waren nobel, maar ze waren weer eens niet gehaald. De lucht was zo vies dat er geen snelwegen verbreed konden worden. Met tegenzin namen veel ministers de rapporten in ontvangst, om er meermaals dat ene lichtpuntje uit te pikken en daarover uit te weiden. Schijnbaar onaangedaan hoorde Van Egmond het aan, nooit te beroerd om onjuistheden te corrigeren, en ondanks zijn eigen dossierkennis veelvuldig verwijzend naar de capaciteiten van zijn tweehonderd medewerkers op het planbureau. Eén van deze medewerkers, Bert Metz, was deze week in Oslo om de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst te nemen, als voorzitter van een van de werkgroepen van het VN-klimaatpanel. Klaas van Egmond vertrekt omdat er een fusie komt met het Ruimtelijk Planbureau, dat enkele jaren geleden werd opgericht en nu alweer opgaat in het nieuwe Planbureau voor de Leefomgeving, zoals de naam voorlopig is. Van Egmond was al hoogleraar milieukunde aan de Universiteit Utrecht, en wordt dat nu full time.

Op de tafel van zijn werkkamer in Bilhoven zijn twee taartjes neergezet. Klaas van Egmond is vandaag jarig.

Is het een goed idee om de twee planbureaus samen te voegen?

“Tja. Ik kan me er wel in vinden. Een paar jaar geleden is door de politiek besloten dat er een apart planbureau voor ruimte moest komen. Dat Ruimtelijk Planbureau is er gekomen. Het zou vooral niet moeten worden ondergebracht bij de ecologie. Want, zo zeiden ze destijds op de departementen tegen mij: als we ruimte bij jou onderbrengen, Van Egmond, dan ga jij zeker eerst die natuurterreinen op de kaart zetten, en dan pas onze bedrijfsterreinen. Dat vond ik toen wel logisch. Nu is men daarvan teruggekomen. ”

De politiek was niet altijd blij met uw rapporten.

“Het lot van dit planbureau is dat we door de politiek worden gezien als boodschapper van slecht nieuws. Tien jaar geleden wezen wij al op het probleem van de verrommeling. Jullie voeren beleid om het landschap overeind te houden, hielden wij de politiek voor, maar wij zien dat die landschappelijke kwaliteiten juist achteruit gaan. Dat zijn tegenvallers uit de harde werkelijkheid. Heel vaak hebben wij rode vakjes moeten presenteren die aangeven dat de doelstellingen voor natuur en milieu niet worden gehaald. Dat is voor een minister niet leuk om te horen. De ene milieuminister ging daar beter mee om dan de andere. De een zag het als een slecht rapportcijfer. De ander als aansporing.”

Zijn uw rapporten minder serieus genomen dan van, zeg, het Centraal Planbureau?

“Nou, wij zijn al gauw de rem op de feestvreugde. Dat heeft te maken met de economisering van het wereldbeeld. Wij hebben in dit tijdsgewricht de neiging om sociaal-culturele en ecologische punten uit te drukken in economische termen. Wij zijn de afgelopen decennia steeds meer bezig geweest om de kwaliteit van natuurgebieden in geld uit te drukken. Ook wij hebben hier een paar heel goede economen die deskundig zijn op dat monetariseren. Maar zelf kom ik daar van terug. Is het principieel wel mogelijk om ecologische kwaliteiten en sociaal-culturele waarden in een maatschappelijke kostenbatenanalyse uit te drukken? Ik begin steeds meer te denken van niet. Is een natuurgebied zoveel honderdduizend euro’s waard? Dat is geen wetenschappelijke vraag.”

Terwijl het onder ecologen toch in de mode is om zodra natuur wordt bedreigd te roepen dat die een paar miljard euro waard is.

“Ja, poffertjeskramen tellen om te kijken of de facelift van een natuurgebied financieel rond te maken is. Maar is het upgraden van het Fochteloërveen afhankelijk van de vraag in hoeverre de huizenprijzen in Appelscha stijgen? Of heeft het te maken met het werelderfgoed, met de betekenis van het Fochteloërveen voor de hele wereld? We gaan toch ook niet zo om met Stonehenge? Gaan we Stonehenge toch maar even niet opknappen omdat de huizenprijzen in Salisbury minder hard stijgen dan we hadden gedacht? Het is prima om het politieke proces te faciliteren met zulke kostenbatenanalyses. Maar het blijft eenzijdig. Laat het over aan de politiek. De politiek heeft tot doel tot uitdrukking te brengen wat de samenleving als het meest waardevol en wenselijk ziet. Dat moet je maar beperkt willen uitdrukken in sommen. Die vraag moet je bij de mens leggen, de Mens met een grote letter M.”

Is het niet begrijpelijk dat economische overwegingen prevaleren?

“Het is logisch dat in de politiek de economische maatlatten de boventoon voeren. Ministers denken dat het zo hoort. Wij hebben hier in het westen de afgelopen honderden jaren een ontwikkeling doorgemaakt naar de dominantie van de economie. De culturele of geestelijke oriëntatie is ver weg. Dat heeft ook te maken met werkgelegenheid. Geen werk hebben is heel erg, zo blijkt steeds opnieuw. Of we nu praten over de jaren dertig of over het Parijs van nu, het hebben van geen werk leidt tot maatschappelijke onrust. Daar zijn politici terecht zeer bezorgd over. Maar het is wel de vraag hoe lang we dit volhouden. Er is een conflict tussen de ratrace van economische groei om mensen aan het werk te houden en het feit dat die groei materieel uiteindelijk niet inpasbaar is. Wat mij betreft heeft Dennis Meadows met z’n Club van Rome in 1972 gewoon gelijk gehad. Dat wordt vaak weggelachen. Een cabaretier als Freek de Jonge roept op televisie onlangs gewoon dat het allemaal onzin is gebleken, die Club van Rome, suggererend dat het met dat klimaat allemaal wel meevalt.”

Misschien gaat de technologie ons redden. Bij de publicatie van het rapport van de Club van Rome waren er niet eens computers!

“Het toverwoord technologie. Natuurlijk draait alles om de menselijke ontwikkeling, ook in materieel en technologisch opzicht. Maar waar de beschaving voorbij komt, ben je nou eenmaal de helft van de natuur kwijt. In onze westerse contreien is dat inmiddels al gebeurd, en op het zuidelijk halfrond zal dat onvermijdelijk nog moeten gaan gebeuren. Ook daar hebben de mensen het recht om ecologie om te zetten in economie. In werkelijkheid verloopt alles ongeveer volgens het scenario zoals dat door de Club van Rome is geschetst: de bevolkingsontwikkeling, de economische groei, en een uitputting van grondstoffen. We zien allerwegen tekenen van schaarste. Er rijden tegenwoordig soms geen treinen omdat de hoogspanningsleidingen zijn gepikt, vanwege de hoge prijs van koper. We hebben een olieprijs van bijna honderd dollar. De teelt van biomassa voor de productie van brandstof is in de wereld maar beperkt inpasbaar. Dat gaat ten koste van de natuur of van de voedselproductie voor de tien miljard mensen die de wereld halverwege deze eeuw telt. Die onvermijdelijke verdere bevolkingstoename levert sowieso spanningen op. Er wordt geklaagd dat zeldzame metalen voor de elektronica niet meer te krijgen zijn, omdat ze door China worden opgekocht. Veel conflicten zijn conflicten over grondstoffen geworden, in het Midden-Oosten, in Darfur.”

Dus?

“We zullen de komende vijftig jaar een manier moeten vinden om om te gaan met de schaarste op deze kleine wereld die toch eindig blijkt te zijn. Dat is het werkelijke belang van van conferenties zoals op Bali. Blijven de wereldleiders touwtrekken voor hun eigen belang, of schemert het besef door dat we tot een verdeling moeten komen die op lange termijn houdbaar is. Als de Verenigde Staten hun verantwoordelijkheid nu wéér niet nemen, dan rangeren ze zich naar de marge van de wereldpolitiek. Als het lukt om afspraken te maken, over emissiehandel bijvoorbeeld, dan mag je hopen dat er economische vooruitgang komt, vooral in het Midden-Oosten en in Afrika. Daardoor zal onder andere de rol vrouwen verbeteren, waardoor de wereldbevolking op een natuurlijke manier ophoudt te groeien. Dan is de patiënt Aarde eindelijk gestabiliseerd en kun je met de genezing beginnen. De kraan zal uiteindelijk dicht moeten om met dweilen te beginnen.”

Afspraken maken over beperkte economische groei, bijvoorbeeld?

“De oplossing is niet om af te spreken dat je economisch niet mag groeien. We moeten niet het ene uiterste door het andere vervangen. De reactie op het ongestuurde kapitalisme in het westen is het communisme geweest. Dat was geen oplossing. Het enige gevolg is dat Fukuyama juicht dat het westers liberalisme in de wereld heeft gewonnen, terwijl in werkelijkheid het systeem kampt met tekorten aan grondstoffen, met grenzen aan de groei.”

Mensen oproepen minder te consumeren, wellicht?

“Je hoort vaak de suggestie om dingen te verbieden. Mogen die vervuilende hummers hier wel blijven rijden? Moet de politiek energieverslindende jacuzi’s gaan verbieden? Dan praat je over democratische dwang. Maar dat is negatieve sturing en dat kan gevaarlijk zijn. Je kunt mensen geen andere leefwijze opleggen. Daar is de wereld mee op de koffie gekomen. Dan wordt de wereld weer een karikatuur van zichzelf. Je moet zeer terughoudend zijn mensen op te leggen wat een goede manier van leven is.”

Wat is de goede manier van leven?

“People, planet en profit zijn elementaire wezensdelen van de mens. Ik zeg vaak tegen studenten: wanneer die drie p’s bij jou niet in orde zijn, dan heb je een probleem. Als je geen vrienden hebt, gaat het niet goed met jou. Als je op een kamer zit met veel herrie en waar schimmels op de muur zitten, dan kun je óók niet studeren. En als je geen vrij besteedbare middelen hebt om ’s avonds een glaasje bier te drinken, dan heb je ook een probleem. In ieders bestaan moeten die drie p’s een zekere minimum kwaliteit hebben. En voor de samenleving is dat precies zo, want de samenleving is een afbeelding van ons eigen denken.”

We moeten niet het goede leven opleggen. Wat dan wel? Zelf het goede voorbeeld geven of iets dergelijks?

“Je kunt mensen uitnodigen een vorm te vinden die recht doet aan de balans tussen economie, hoogwaardige leefomgeving en sociaal-culturele omgeving. Door in het onderwijs aandacht te besteden aan wat zinvolle activiteiten zijn, bijvoorbeeld. Bij onze materiële behoeften zit een heleboel vervorming ten gevolge van de mimetische begeerte. Ik doe dingen omdat jij het ook doet. Ik wil een grote auto omdat jij er ook een hebt. Keeping up with the Jones. Het is begrijpelijk dat mensen uit zijn op waarden als mobiliteit, luxe en comfort. Maar laat mensen dan hun eigen voorkeuren doen gelden, en niet die van de buren. Mensen kopen dingen omdat ze met de anderen willen meedoen. De identiteit wordt ontleend aan die middelen.”

Hoe leeft u zelf? Kunnen we daar iets van leren?

“Ik rij zelf al heel lang in een kleine auto. En ik neem zo veel mogelijk de trein. Vliegen doe ik zo min mogelijk. Vlees ben ik in de loop der jaren minder gaan eten. Het eten van vlees komt voort uit een behoefte. En naarmate je minder toegeeft aan die behoefte, neemt de behoefte zelf ook af. Dat is met alcohol ook zo. De effectiefste manier om behoeften te bevredigen is natuurlijk om die behoefte niet te hebben. Het is een kwestie van wilskracht en die kun je oefenen. Willen is kunnen.”

U heeft niet zo’n bezwaar tegen materialisme. U heeft bezwaar tegen het overdrijven daarvan.

“Dat is de kern. De geschiedenis in de afgelopen duizend jaar heeft een gang gemaakt van een meer geestelijke oriëntatie naar een meer materiële. Dat zou allemaal nog niet zo’n probleem zijn, als we niet voortdurend doorschieten. Ik ben ervan overtuigd dat het gevaar van de mensheid niet zozeer is dat we bijvoorbeeld materialistisch zijn, maar dat er steeds weer een neiging bestaat om één van de drie menselijke aspecten te karikaturiseren. Overdrijven is het grootste kwaad. De verleiding is steeds om je identiteit te zoeken in die karikaturen. Het is gemakkelijk om te zeggen ik ben mijn auto, ik ben mijn werk, ik ben islamiet of ik ben de natuur, en je daaraan vast te klampen.”

En waarom doen we dat? Uit angst? Uit angst voor onszelf?

“Uit angst. Voor onszelf. Erich Fromm zegt: de mens is bang voor zijn eigen vrijheid, maar moet toch zelf de verantwoordelijkheid nemen voor zijn bestaan.”

Het gesprek is voorbij. De kruidenthee gedronken. De taartjes staan er nog. Klaas van Egmond: “Taartjes zijn ongezond.”