Putten – Ouwendorp

Ik ben toe aan gegarandeerd mooi bos. Dus dat wordt de Veluwe. Succes verzekerd.

En zo is het.

Vanaf het ogenblik dat we Puttens suburbia (opgeruimd en netjes) hebben verlaten, lopen we in een bos waar bomen (veel naald-, ook loof-), dor blad, onderhout, grindpaadjes en zelfs afgewaaide takken zo smaakvol zijn gerangschikt dat ik meer dan ooit geloof in het toeval. Ja, er zijn mensenhanden aan dit bos te pas gekomen, weet ik ook wel. Maar alleen het almachtige Lot beschikt over de middelen om een bos zo voor elkaar te krijgen, in deze combinatie van tinten, geluiden, geuren en vorm, beheerst door een air van op-goed-geluk.

Putten luidt zijn kerkklok, maar geen crossfietser, ruiter of hondenuitlater die er acht op slaat. Laat maar beieren, we komen niet. Wij blijven hier en we verspreiden ons hier, want we gaan allemaal doen of dit bos van ons alleen is.

Dat lukt gemakkelijk. Even wandelen en je ziet elkaar niet meer, hooguit hoor je iemand in gesprek met zijn of haar hond.

Na een week van storm en regen is de bleke zon een frivoliteit. Het licht duikt in de plassen en strijkt de doorweekte stammen van de sparren over hun flanken en biedt iele stammetjes een scherp silhouet. Het maakt een verlaten speelplaats met klim-iglo en wipkipje zo hyperrealistisch dat de filmer David Lynch (who killed Laura Palmer?) er meteen mee aan de slag zou kunnen. Druppels aan takken worden lachtranen. De lenige stammen van de beuken glanzen of ze satijn dragen. Met hun slanke vormen lijken ze ballroomdansers, ze wachten op de inzet van het orkest.

Het pad dat we volgen gaat volgens een ANWB-paddestoel nergens naartoe.

„Wanneer is nergens ergens?”, vraag ik aan man.

„Nooit.”

„Waarom niet?”

„Omdat dat een taalparadox is.”

Hij stelt zelf de volgende vraag: „En waarom kan een taalparadox niet?”, en hij antwoordt: „Omdat dat onzin is.”

Goed, daar zijn we uit. Intussen misten we een paadje rechtsaf. Hindert niet, alle paden zijn even mooi (en je komt dus altijd ergens uit).

Ik houd mijn adem in en vat mans arm in de hertenklem. Een hert (geen ree) met een fors gewei steekt over en draaft op zijn gemak tussen de bomen. Je hoort hem niet, je ziet hem alleen.

Na het bos volgt fraai boerenland. Op een erf zie ik drie kalverlijken liggen, slordig afgedekt met een stalen trog, poten en koppen steken eronderuit. De boer die zijn beesten niet respecteert is een slechte boer.

13 km. 56, 57, 58 uit Veluwe Zwerfpad. Uitg. NIVON, Amsterdam 2006. Openbaar vervoer ieder uur (Veolia): bus 102s (halte Ouwendorperweg) en bus 107 (halte Putten, Kerkstraat). Overstappen op busstation Wittenberg. Inl. www.ov9292.nl of tel. 0900 9292.