Pingelen loont

Voor alles is er een machine. Daardoor hebben we verleerd af te dingen.

Langzaam maar zeker worden we verder geschoven in de richting van de totale automatisering. Als ik op mijn laptop het woord ‘maan’ wil tikken, omdat ik bezig ben, het ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ op te schrijven, springt Bill Gates ertussen, en laat weten dat ik maar op Enter hoef te drukken om maandag in mijn scherm te krijgen. Drie vingerbewegingen minder.

Vorige week moest ik in Schiedam zijn, in het Stedelijk Museum, voor de tentoonstelling ‘Onmetelijk optimisme’. Gaat over de kunsten in de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Een prachtig decennium, daar kom ik later nog wel eens op terug. Ik stapte uit de trein en kwam terecht in een geautomatiseerd station. Geen spoorwegbeambte meer te zien; overal automaten en tourniquets waar je je kaartje of pasje in moet stoppen om een groen lichtje te krijgen. En gebeurt dat niet, dan sta je daar opgesloten en je bent gedoemd je in leven te houden met de marsreepjes, de bounty’s en de frisdranken die je uit de automaat kunt halen. Tot je wisselgeld op is.

Ik weet wel dat de automaat geen nieuw verschijnsel is. De Franse filosoof Julien Lamettrie (1709-1751) was geneigd de hele mens als een automaat te zien, zoals hij heeft beschreven in zijn L’homme machine. De Tsjechische schrijver Karel Capek heeft de mechanische mens, de robot bedacht. De fabrieken staan vol met robots die uw auto en wasmachine fabriceren. In Hollywood worden regelmatig films gemaakt waarin robots de macht op aarde overnemen. Soms komt er weer een genie dat een computer heeft gebouwd die slimmer is dan het genie zelf. In Frankrijk zijn verscheidene regeermachines verzonnen, machines à gouverner, maar jammer genoeg nooit gebouwd en toegepast. Wie weet hoe anders de wereldgeschiedenis dan was verlopen.

De eerste bruikbare automaat die ik me herinner, is een apparaat waaruit je postzegels kon halen, een grote blauwe kast met een nikkelen slinger. Muntje erin, aan de slinger draaien en dan hoorde je Ting! en er kwamen een paar postzegels uit. Mijn moeder weigerde het ding te gebruiken, ze vertrouwde het niet. Later heb ik gelezen dat automatenvrees in die tijd een veel voorkomende fobie was. In een vrolijk Brits tijdschrift, Lilliput, zag ik een cartoon waarop iemand een onwillige automaat een schop geeft. De man naast hem zegt: „I hear they’re inventing a machine that fights back”. Allemaal vóór de Tweede Wereldoorlog.

Zo nieuw is de automaat dus niet. De revolutie is pas echt begonnen met de videotechniek en de digitalisering. Tegenover de automaat heeft de zelfstandig denkende mens niets meer in te brengen. En daarmee is een oud gebruik op sterven na dood, namelijk het onderhandelen over de prijs, het afdingen. Wat je voor je aankoop moet betalen, is vastgelegd in de streepjescode. Die wordt aan de kassa door een automatisch oog ontcijferd, het bedrag verschijnt op een schermpje, zwijgend betaal je en dan wenst degene die de kassa beheert je nog een hele fijne dag. Aan dat postmoderne ritueel zijn we allang gewend, we hebben ons erbij neergelegd.

Toen, een jaar of twee geleden, kocht ik de laptop waarop ik dit stukje tik. Ik moest 899,50 euro betalen. Een idiote prijs. Waarom geen 900? Omdat de verkoper ervan uitgaat dat de koper alles boven de 899,99 te duur zal vinden. Vandaar dat je die 50 cent cadeau krijgt. Een geheime stem fluisterde me in: ‘Bied 825’. Ik bekeek het ding nog eens kritisch, op de grens van sceptisch, schudde mijn hoofd en zei: „825”. Daar voltrok zich het wonder. De bediende snelde naar zijn chef, kwam na een minuut weer terug en zei: „Okee, 825. Contant.” Ik had me op een grote aankoop voorbereid, ik had dit bedrag in baar geld bij me. De transactie werd voltooid. Met gemengde gevoelens verliet ik de winkel: triomf omdat het me gelukt was; twijfel omdat ik het gevoel had dat ik nog te veel had betaald.

Toen had ik een wisser nodig, zo’n ding waarmee je een beslagen ruit schoon veegt. Naar de gereedschapswinkel. Deze wisser kostte 3,50 euro. Ik bewoog de scherpe rand van rubber kritisch tussen duim en wijsvinger, keek de winkelier ernstig aan en zei: „Drie euro”. Hij keek verbluft, dacht na, begon te lachen en zei: „Goed. Als u vaste klant wordt.” Dat heb ik hem beloofd. Het afdingen was voor de tweede keer gelukt.

Er zijn natuurlijk grenzen. In supermarkten waar alles verpakt is, moet je het niet proberen. Maar in de viswinkel bijvoorbeeld, waar je meer krijgt afgesneden dan je gevraagd hebt – „Mag het een onsje meer zijn?” – ligt het voor de hand dat je antwoordt: „Goed, maar mag het dan vijftig cent minder zijn?”

De consumptiemaatschappij probeert wel robots van de klanten te maken, maar het is nog niet helemaal gelukt. Probeer eens af te dingen, is mijn boodschap.

PS. Sint Nicolaas is de bisschop van Myra, maar Myra ligt in Turkije en niet, zoals ik vorige week schreef, in Spanje. Ik dank Johannes van Dam die mij, vriendelijk als altijd, op deze vergissing attent maakte.