Octopussen met lego: over het belang van spelen

Spelen heeft zin, je hele leven lang, maar het is moeilijk het uiteindelijke evolutionaire effect ervan te meten.

Tijs Goldschmidt

Evolutiebioloog en schrijver. Auteur van onder meer ‘Darwins hofvijver: een drama in het Victoriameer’ (1994); De andere linkerkant: links en rechts in de evolutie; ‘Kloten van de engel. Beschouwingen over de natuurlijkheid van cultuur’ (2007).

Spelen is doen alsof, spelen komt in feite neer op het maken van schijnbewegingen. De van oorsprong Leidse gedragsbioloog Niko Tinbergen was verzot op het maken van schijnbewegingen. Als jongen maakte hij ze op het hockeyveld, later in zijn biologenleven fopte hij dieren met slimme proeven en wist ze zo hun verborgen overwegingen en impulsen te ontfutselen. Zo gaf hij meeuwenkuikens kartonnen koppen en snavels te zien van volwassen meeuwen. Ze waren beschilderd met verschillende patronen en vlekken waarop de kuikens verschillend reageerden. De ene nepkop lokte een aanmerkelijk sterkere bedelreactie uit dan de andere.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat de historicus Johan Huizinga samen met Tinbergen een tijd lang in het gijzelaarskamp Beekvliet in Sint Michielsgestel. Huizinga vertrouwde hem toe dat hij zich eraan ergerde dat de luisteraars naar de vele lezingen die daar werden gehouden, zich zo kritiekloos van alles en nog wat lieten wijsmaken. Daarop vatte Tinbergen het idee op om een herdenkingsbijeenkomst te organiseren ter nagedachtenis aan de verzonnen componist William Spark. Hij was weliswaar van Engelse afkomst, maar te Amsterdam geboren en postuum zelfs geëerd met een straatnaam in de Concertgebouwbuurt: de Willem Sparkweg. Het voornemen was om het te doen voorkomen alsof Spark in 1843, precies een eeuw eerder, was overleden. Om de bezetter niet onnodig te provoceren, zo werd rondgefluisterd, kon Sparks naam in het openbaar beter ongenoemd blijven. Die kwam daarom niet voor in de aankondiging van de bijeenkomst, die lezingen beloofde over Spark als musicus, als componist en als muziektheoreticus, en bovendien de uitvoering van enkele muziekstukken van zijn hand, zoals l’Oiselet sur la branche. Dus in die tijd al werkten een alfa en een bèta, nota bene door toedoen van de Duitse bezetter, nauw samen. De practical joker Huizinga, die in 1938 zijn boek Homo ludens had gepubliceerd, en Tinbergen, een van de belangrijkste grondleggers van de gedragsbiologie. Helaas leidde dit na de oorlog niet tot een biologische benadering van spelgedrag in de cultuur. Eeuwig zonde, want dat had met dit sprankelende duo wel heel bijzonder kunnen uitpakken. Spraken zij in Beekvliet over de mogelijke functie van sociaal spel? De trommelduels van de Groenlandse Inuit kregen in Homo ludens ruimschoots aandacht. Huizinga werd daarover zonder twijfel door Tinbergen ingelicht.

Er is wel geopperd dat de biologische betekenis van spel gelegen zou zijn in wat je met een gruwelijk hedendaags woord ‘ontwikkelingsmanagement’ zou noemen. Door zijn jeugd lang te spelen, toetst het dier voortdurend hoe het ervoor staat. Hoe sterk is het, hoe behendig en snel? Kan het afstanden schatten, de weg vinden? Durft het onbekend terrein te verkennen, te experimenteren met materialen, steentjes, takjes, bladeren, in zijn biotoop? Hoe is het gesteld met zijn inzicht in intenties van andere dieren, in de eerste plaats soortgenoten, maar ook in die van roofvijanden? Dit voortdurend toetsen van de eigen vorderingen op uiteenlopende terreinen mag nuttig zijn, en waarschijnlijk overlevingswaarde hebben, daarnaast geldt evengoed dat het dier er ook plezier in zou kunnen hebben. Vergelijk het met seks. Mensen geven zich daaraan over omdat het onmiddellijk genot verschaft en zeker niet omdat zij zich er zorgen over maken dat hun genen anders minder effectief worden verbreid dan maximaal haalbaar zou zijn. Het is het onderscheid dat biologen maken tussen de directe en de uiteindelijke, of evolutionaire factoren.

Sociaal spel is voornamelijk beperkt tot zoogdieren en vogels met uitgebreide ouderzorg. Je vindt het volop bij kinderen die nog thuis wonen, maar ook bij andere dieren die door hun ouders worden beschermd en gevoed. Veiligheid en voedsel in overvloed zijn twee factoren die gunstige voorwaarden scheppen om te spelen. Intelligente dieren die verzadigd zijn en zich veilig weten, krijgen bovendien last van iets anders. Ze gaan zich vervelen, een derde factor die spelgedrag in de hand werkt. In 1932, zes jaar voor de publicatie van Homo ludens, waarin ‘doen alsof’ centraal staat, verscheen het essay In Praise of Idleness van Bertrand Russell. In dat betoog pleit hij ervoor de werkdag tot vier uur te beperken. Anders dan een econoom als John Maynard Keynes, die er niets in zag, meende hij dat dit dankzij de industriële revolutie haalbaar moest zijn. Het zou de gewone man de gelegenheid geven zich te ontwikkelen en vooral... te spelen. Een mens knapte ervan op wanneer hij met een korte werkdag in zijn onderhoud kon voorzien. Hij voelde zich vrijer dan iemand die helemaal niet werkte, en ging de zee van tijd die overbleef vanzelf besteden aan creatieve bezigheden. Kort werken zou dé toverformule zijn om het speelse en goede in de mens tot volle wasdom te brengen.

Ik heb mijn vroege jeugd doorgebracht op de Transvaalkade in Amsterdam. Aan die tijd bewaar ik maar een paar herinneringen waarvan ik zeker weet dat ze niet door het bekijken van foto’s zijn vertroebeld. Een ervan is de herinnering aan het interieur van ‘het walhalla’. Zo noemde mijn vader de speelgoedwinkel van Proeski bij ons om de hoek, op de Middenweg. Veel later pas heb ik de ware betekenis van walhalla doorgrond, maar voor mij zal het woord altijd met de winkel van Proeski verbonden blijven.

Uit het walhalla kreeg ik eens een speelgoedauto van het Tsjechische Schuco, die je op afstand kon bedienen. Je kon hem niet alleen voor- en achteruit laten rijden, maar ook sturen. Na enige oefening kon je er zelfs achteruit mee inparkeren en dat had bij mijn vader de doorslag gegeven om tot aanschaf over te gaan: „Leuk om mee te spelen, maar vooral ook nuttig voor later.” Als vanzelfsprekend maakte mijn vader het onderscheid tussen directe en uiteindelijke, evolutionaire factoren. Wanneer ik in het bijzijn van gasten mijn Schucoauto weer eens achteruit inparkeerde, zei hij trots: „Dat scheelt hem later drie rijlessen, als het er niet meer zijn. Ik zie het als pure winst.” Er is een bioloog aan hem verloren gegaan, want velen onder hen denken net zo. Alles moet uiteindelijk nut hebben, genetische vruchten afwerpen, evolutionair succes opleveren, een bijdrage leveren aan de inclusive fitness, zelfs dat onschuldig ogende spelen met een Schucoauto. Ik denk dat dat onzin is, want er is ook speelruimte om energie te verspillen, te klooien en plezier te maken. Wie weet, heeft mijn vader zelfs gedacht dat het spelen met die speelgoedauto uiteindelijk mijn kans op het vinden van een geschikte vrouw gunstig zou kunnen beïnvloeden. „Straks willen ze geen prins meer op het witte paard, maar een man met een rijbewijs”, hoorde ik hem eens zeggen. Met de verbreiding van mijn genen is het nog altijd droevig gesteld – een neef en een nichtje, met wie ik een procent of vijfentwintig van mijn genen gemeen heb, daargelaten. Je kunt alleen maar concluderen dat het achteruit inparkeren niet heeft geholpen.

Maar als mijn genetische bagage nu eens wél met succes zijn weg had gevonden in een volgende generatie. Zou je er dan achter kunnen komen welke bijdrage het spelen met die Schucoauto daaraan heeft geleverd? Dat lijkt me uitgesloten, een heilloze onderneming. Helaas is het meten van de ultieme effecten van spel van jonge dieren vaak niet minder ingewikkeld. Het duurt nog zo lang voordat het spelende jong zich eindelijk eens gaat voortplanten, dat een eventueel effect ervan op het voortplantingssucces onmogelijk nog te achterhalen valt.

There is joy in repetition zong Prince en hij heeft gelijk. Niet alleen vormen rolwisseling en ritmische herhaling van spel belangrijke ingrediënten, ook in de evolutie worden dezelfde uitvindingen vaak meermalen gedaan. Bij octopussen bijvoorbeeld. Dieren met heuse persoonlijkheden, exploratief en nieuwsgierig. Octopussen in gevangenschap speelden met legoblokken. Appelleerden die soms aan hun nopjesgevoel? Lego is lichter dan water en dus geneigd naar het oppervlak van het aquarium van de octopussen te drijven. Die probeerden dat te voorkomen door met hun tentakels de lego naar beneden te drukken, even te laten schieten en weer naar beneden te drukken. Aristoteles en Plinius schreven al over exploratief en speels gedrag van de octopus. Toch werd in de eerste helft van de twintigste eeuw nog algemeen aangenomen dat spelgedrag bijna uitsluitend bij intelligente zoogdieren voorkwam, maar dat idee bleek niet houdbaar. Ook vogels vertonen spelgedrag, zelfs vissen, sommige reptielensoorten en dus de octopus die in de evolutionaire stamboom mijlenver van de zoogdieren af staat. Zou de octopus alleen maar spelen om het spelen of heeft hij baat bij zijn exercities? Er zijn aanwijzingen dat kinderen die met blokken spelen een snellere taalontwikkeling vertonen dan zij die geen blokken tot hun beschikking hebben. Spelen heeft zin, al zal het ook hier ingewikkeld zijn het uiteindelijke evolutionaire effect ervan te meten.

De sociobioloog Edward Wilson werd in de jaren zeventig door linkse intellectuelen nog voor fascist uitgemaakt en met tomaten bekogeld omdat hij durfde te denken dat sociaal menselijk gedrag mogelijk mede biologisch verklaard zou kunnen worden. Maar hij erkende, net als de socioloog Norbert Elias, dat de menselijke cultuur wel erg los was komen te staan van de genetische bagage van cultuurdragers. Net als andere zoogdieren zou ook de mens nog altijd aan de leiband van zijn genen lopen, vermoedelijk alleen wat losser. Dat inzicht leidde later tot de ontwikkeling van de memetica, waarbij de meme werd omschreven als een eenheid van cultuur die expliciet niet-genetisch wordt doorgegeven; een idee als God, een ontwerp als de enveloppe, of een pakkend deuntje dat, of hij wil of niet, in het hoofd van de luisteraar blijft hangen. Het is voorlopig niet meegevallen om een kwantitatieve memetica te ontwikkelen waarmee de verbreiding van memen in het wereldomspannend memennetwerk adequaat kan worden beschreven, en de vraag is of dat ooit zal lukken. Genen bestaan uit dna maar memen missen zo’n materieel substraat, tenzij je de grondstofjes waaruit gedachten voortkomen zo zou willen betitelen. Het is bovendien de vraag of de analogieën tussen genetische en memetische variatie – selectie en doorgifte van eenheden – überhaupt wel opgaan.

Ondanks al deze moeilijkheden geloof ik in het samengaan van een biologische, sociologische en cultuurhistorische benadering. Het zou voorbarig zijn om een reductionistische aanpak bij voorbaat al te verwerpen, dat kan altijd nog zodra blijkt dat die echt niet werkt.

In zijn boek over de afstamming van de mens uit 1871 beargumenteerde Darwin al zijn vermoeden dat seksuele selectie een belangrijke factor kan zijn geweest bij het ontstaan van een groot brein, het vermogen te musiceren en taal zowel te spreken als te verstaan. Hij trok daarbij parallellen met zangvogels, waarbij de mannetjes in het broedseizoen uitbundig zingen om vrouwtjes te lokken en rivalen op een afstand te houden. Nadat er, nota bene pas een eeuw later, opnieuw veel belangstelling was ontstaan voor de rol van seksuele selectie, ging Geoffrey Miller in zijn boek The Mating Mind uit 1993 nog een paar stappen verder dan Darwin. Hij veronderstelde dat een breed scala aan menselijke gedragingen het resultaat is van langdurige seksuele selectie. Creatieve eigenschappen als zang, humor en flux de bouche zouden alle gezien kunnen worden als seksueel geselecteerde kenmerken. Rappers die schimpwedstrijden houden terwijl zij omgeven zijn door een zwerm kroelende halfnaakte vrouwen, wijzen in die richting. Veruit de meeste popidolen zijn van het mannelijk geslacht en voor zover ik weet zijn het altijd jonge meisjes die tijdens concerten flauwvallen. Een toevallige voorkeur van vrouwen voor creatieve of geestige mannen zou hebben geleid tot steeds grotere breinen, meende Miller. Alleen klopt daar iets niet, zoals hij ook zelf inzag, want dat zou betekenen dat de mannen met reusachtige breinen rondzeulden, onontbeerlijk om hun grappen te maken, te zingen, poëzie voor te dragen of vrouwen anderszins verbaal te imponeren, terwijl vrouwen met breinen van normale omvang daarvan onder de indruk raakten. En dat is niet het geval.

Mannen en vrouwen hebben even grote hersenen (ten opzichte van hun lichaamsgewicht). Millers ideeën gaan ver en zijn niet steeds even goed getoetst, maar ze zijn wel prikkelend. Hij vermoedt dat intelligentie, net als een pauwenstaart of de prachtig tweezijdig symmetrische, maar functioneel onbruikbare, vuistbijlen van vroege mensachtigen, een fitnessindicator kan zijn. Kunst, muziek, humor en zelfs het houden van voordrachten of het vertellen van verhalen, waarvoor een groot brein vereist is, zouden handicaps zijn die erop wijzen dat een man in de weelde leeft dat hij aan deze dingen toekomt. Hij is niet permanent op de vlucht voor vijanden of roofdieren, of de godganse dag bezig met voedsel zoeken.

Nee, hij kan het zich veroorloven muziek te maken, te zingen, grappen te maken, verhalen te vertellen, stuk voor stuk bezigheden die je in evolutionaire zin als handicaps zou kunnen zien. Het fenomenale van Homo ludens is dat Huizinga op de meest uiteenlopende terreinen als rechtspraak, muziek, kunst, poëzie, maar ook krijg, het spelelement wist aan te wijzen. Het verfrissende van de visie van Miller is dat seksuele selectie bij de vormgeving van die bezigheden een beslissende rol zou hebben gespeeld. Het zou, naar mijn idee, erg de moeite waard zijn de onderwerpen van Huizinga met de seksuele selectietheorie van Darwin en zijn hedendaagse geestverwanten opnieuw te bezien en te lijf te gaan.

In Homo ludens betrekt Huizinga regelmatig tribale samenlevingen in zijn betoog om duidelijk te maken hoe diep het spelelement wortelt in ritueel, cultus en religie. Hij wees erop dat het zeldzaam is dat je een bepaalde cultus, rite of protoreligie van Papoea’s of Inuit uit spel of wedkamp kunt reconstrueren. Het zou wel heel toevallig zijn als je er als veldonderzoeker net bij bent als die ontwikkeling zich voltrekt. Maar het is niet altijd nodig om ver weg te gaan om van het ontstaan van een ritueel een glimp op te vangen. Vorig jaar raakte ik vanwege de verstrooiing van de as van een muzikale tante verzeild op begraafplaats Westgaarde in Amsterdam Osdorp. Daar bevond zich een minivoetbalveld, waarop niet gevoetbald mocht worden. Het was rechthoekig en mat 12 bij 15 meter. Het zorgvuldig onderhouden gras was afkomstig van De Meer, het oude Ajaxstadion.

Waarom transplanteren Ajacieden een grasmat uit het oude stadion, de mat waarop grootheden als Johan Cruijff, Frank Rijkaard en Marco van Basten nog hebben gevoetbald, naar een begraafplaats? Het gebeurde om bijna religieus te noemen redenen. Trouwe Ajaxfans kunnen, na een leven van steunbetuiging, extase en opwinding, hun as op deze voor hen sacrale grasmat laten verstrooien. Ze vertonen weliswaar geen bijzonder hoge verwantschapgraad met andere clubleden, maar het verlangen erbij te horen en de eer van de club hoog te houden is er niet minder om. De fans lopen zonder twijfel aan de leiband van hun genen, maar het ritueel lijkt niet direct in dienst te staan van de effectieve verbreiding ervan. Genetische en culturele factoren zijn op een ingewikkelde manier met elkaar verweven geraakt en vragen om zowel een biologische als sociologische benadering. En het ritueel gaat ver.

Sommige Ajacieden laten hun as niet zomaar verstrooien in het urnenveld, maar verzoeken een nabestaande om met die as de naam van een bewonderde voetballer in de lucht te schrijven voordat die neerdwarrelt. Voetballers die godenzonen, de overtreffende trap in de evolutie, worden genoemd.

Wat is er heerlijker dan met jouw as de naam Cruijff te laten schrijven en je voor eeuwig verbonden te weten met deze held, nog altijd alive and kicking, die orakelde: „Hun kunnen niet van ons winnen maar wij kunnen wel van hun verliezen.”

Dit is een bekorte versie van de 36e Huizingalezing die Tijs Goldschmidt gisteravond uitsprak in Leiden. De complete tekst is te lezen in Doen alsof je doet alsof, uitgeverij Prometheus.

De Huizingalezing is in zijn geheel te beluisteren via nrc.nl/huizinga