Nep, maar echte nep

De ware dandy is een flamboyante levenskunstenaar die soms shockeert, maar altijd geestig is. „Een heer zou altijd een geladen pistool moeten dragen.”

Op de voordeur van het pand, in een rustig straatje in het Londense Soho, is pontificaal een bordje gespijkerd: ‘Dit is geen bordeel. Er zijn geen prostitués op dit adres’. Het is alweer een tijdje geleden dat er vanuit het huis van de Engelse schrijver en kunstenaar Sebastian Horsley een bordeel werd gedreven.

Wanneer Horsley (1962) de deur opent, draagt hij een zwarte, extreem hoge hoed, die hij tijdens het gesprek niet meer af zal zetten. Aan zijn voeten zwarte schoenen met ingebouwde slobkousen; wanneer hij gebaart, glittert zijn rode nagellak.

In zijn huis domineert sensueel donkerrood – het donkerrood fluweel van de gordijnen, van de schaarse beklede meubels en van het vest van zijn driedelige op maat gemaakte pak. Na wat plichtplegingen en gerommel met mokken thee barst hij los:

„Ik ben géén schrijver. Ik ben géén kunstenaar, en ik kan het bewijzen ook. Ik ben een dandy, en een dandy is de leugen die de waarheid onthult. De waarheid is dat we zijn wie we voorwenden te zijn. Ik ben dan misschien nep, maar ik ben tenminste echte nep.”

„De reden dat dandy’s mensen irriteren is, nou ja, in de eerste plaats omdat ze irritant zijn, maar ook omdat ze de grap expliciet maken. We zijn allemáál toneelspelers. Kijk naar dokters, accountants, advocaten, ze spelen evengoed een rol. Ze denken dat ze echt zijn, maar het is pure schmink. En als we toch allemaal een personage creëren, een fantasie, dan kun je er net zo goed iets buitengewoons van maken. Het heeft geen enkele zin om iets in de wereld te brengen dat niet uitzonderlijk is. What’s the point?”

Het fenomeen van de Engelse dandy, misschien nooit echt helemaal weggeweest, staat de laatste tijd weer volop in de belangstelling. Een belangrijke reden daarvoor is de publicatie, deze herfst, van Horsley’s ‘ongeautoriseerde’ autobiografie Dandy in the Underworld. Het boek is een aanstekelijk geschreven, met briljante oneliners doorspekt relaas waarmee Horsley zich een waardige exponent toont van de traditie die loopt van Beau Brummell via Charles Baudelaire en Oscar Wilde tot aan Quentin Crisp. In hoofdstukken met titels als ‘I don’t know where I’m going, but I’m on my way’ en ‘Mein Camp’ doet hij verslag van zijn extreem disfunctionele jeugd (beginnend met een mislukte abortus, en eindigend met moeder in het gesticht), experimenten met alle drugs onder de zon, avonturen in de prostitutie, passie voor grote witte haaien, en een ranzige affaire met Glasgows hardste gangster, Jimmy Boyle. Maar in het boek schuwt hij ook zijn minder vrolijke kanten niet: de suïcidale neigingen, doodsobsessie (Horsley liet zich tijdens een religieuze ceremonie op de Filippijnen kruisigen, terwijl bevriende kunstenaar Sarah Lucas alles filmde), en zijn dramatische afkickpogingen. „I’ve suffered for my art, now it’s your turn”, waarschuwt hij de lezer op de flaptekst.

Horsley is er de man naar om zijn oppervlakkigheid en frivoliteit serieus te nemen. „Dandyisme is eerder een aandoening dan een beroep, een verdedigingsmechanisme tegen lijden en een viering van het leven”, zegt hij, liggend op de vloer van zijn woonkamer. „Het is een schild, een zwaard en een kroon, tevoorschijn gehaald uit de verkleeddoos op de zolder van de verbeelding.” De persoonlijkheid die dandy’s construeren is een metafoor die dient om ze te beschermen tegen de gapende afgrond van het bestaan. Dandyism is, zegt hij, een substituut voor religie, een spirituele doctrine. En natuurlijk is het gedoemd te mislukken – dandy’s eindigen altijd in de goot, besluit hij, terwijl hij het realistisch ogende haardvuur opeens lager draait. „Ja, alles in dit appartement is fake.”

Horsley’s woonkamer lijkt wel een driedimensionale uitstalling van Dandy in the Underworld: kinderfoto’s, een vel papier met regels strafwerk, een schildersezel, foto’s van haaienslachtoffers, krantenknipsels over zijn kruisiging. Op de haardmantel een indrukwekkende uitstalling van plastic en stalen injectienaalden. En daarboven, als ultieme blikvanger, een enorme, speciaal gebouwde houten kast vol schedels.

„Zesendertig menselijke schedels, om precies te zijn”, zegt Horsley. „Mijn geluksgetal – niet dat het veel heeft geholpen. Voor de Egyptenaren was geen feest compleet zonder een skelet of een ander embleem van vergankelijkheid. Voor mij is het verzamelen van andermans hoofden een stijlvolle hobby. In één schedel zit een kogelgat. Niet van mijn pistool, hoor. Ik kocht dat pistool omdat ik vaak de aandrang heb mezelf voor het hoofd te schieten. Uit nieuwsgierigheid. Een heer zou altijd een geladen pistool moeten dragen – niet om zichzelf mee te doden, maar om zich ervan bewust te zijn dat men altijd een keuze maakt.”

Horsley spreekt zoals hij schrijft, in onweerstaanbare oneliners. En hoewel hij op dit moment de bekendste en misschien wel de meest consequente belichaming van de klassieke dandy is, is hij zeker niet de enige. De opleving van het fenomeen in Londen wordt gestimuleerd door een cultblad als The Chap, en de lezingen en feesten georganiseerd door de ‘Last Tuesday Society’. Een van de sprekers op zo’n lezing was bijvoorbeeld de dandyeske schrijver en acteur Ian Kelly die een gezaghebbende biografie van mede-dandyBeau Brummell heeft geschreven. Een lijvig geïllustreerd boekwerk, The New English Dandy, met foto’s van tientallen hedendaagse dandy’s, verscheen dit jaar in paperback editie. En bovendien komt er in 2008 een verfilming van An Englishman in New York, het vervolg op The Naked Civil Servant van Quentin Crisp. En wie rondkijkt in Londen, ziet op elke straathoek wel een jongeman in vintage kostuum.

Maar kleren maken de dandy nog niet. „Kleren zijn het minst belangrijke aspect van een dandy”, stelt Horsley. „Dandyism is sociaal, menselijk en intellectueel. Het is geen loslopend driedelig pak.” Wat is dan wél het kenmerk van de ware dandy? „Stijl is de belangrijkste component. Een gevoel voor pure stijl, die spontaan voortkomt uit de persoonlijkheid zelf, en bewust wordt onderhouden”, laat Dickon Edwards, schrijver, muzikant, dj en naast Horsley een van Londens bekendste dandy’s, per e-mail weten. „Stijl is in dit geval het diametraal tegenovergestelde van mode. Mode is de massa volgen, maar stijl is jezelf volgen. Voor de dandy is dit voldoende.” Andere kenmerken zijn: buiten de samenleving staan, maar wel met een charmant en representatief imago. Een gecultiveerde nonchalance uitstralen. Een afstandelijke houding aannemen, maar geestigheid inzetten om geen ergernis op te wekken. „En over het algemeen de wereld een interessantere plek maken.”

Horsley sluit zich erbij aan: „Style is knowing who you are, what you want to say and do, and not giving a damn.” Met stijl, het moge duidelijk zijn, doelen de heren niet op kleding alleen. Al sinds Beau Brummell zich even geliefd als gevreesd maakte aan het Regency-hof met zijn vlijmscherpe tong – de tong die ook zijn ondergang werd, toen hij „Who’s your fat friend?” grapte over de Kroonprins – is taal misschien wel het belangrijkste instrument van de dandy gebleven. „Wit, geestigheid, is héél belangrijk,” bevestigt Horsley: „En dat is iets anders dan gewone humor.”

Beiden zien de fabelachtig excentrieke Quentin Crisp (1908-1999) als stijlicoon, in alle opzichten van het woord. Edwards – immer witblond gebleekt haar, strak in het pak, make-up – noemt verder literair zwaargewicht Oscar Wilde als lichtend voorbeeld; Horsley heeft het over Marc Bolan en Johnny Rotten van de Sex Pistols. Maar daarvoor nog, en doorslaggevender, zijn moeder, die op haar beurt weer Wilde aanbad. „Haar leven was doortrokken van zijn stijl”, schrijft Horsley. „En ze gaf deze theatraliteit door aan mij. Ik herinner mij dat ze zich eens met heel veel zorg voor de spiegel aankleedde om uit te gaan, en van het kindermeisje eiste dat een van haar kinderen haar zou vergezellen. ‘Welk kind?’, vroeg die. ‘Kan mij het schelen’, snauwde Moeder. ‘Dat wat het beste bij rood fluweel past’. (Uiteraard was ik het).”

Eigenlijk komt het neer op de cruciale vraag die Quentin Crisp ooit zo formuleerde: „Als er geen lof of verwijten waren, wie zou ik dan zijn?” Horsley: „Een ware dandy bezit de vaste overtuiging dat hij gelijk heeft; de mening van de rest van de wereld doet er simpelweg niet toe.” De meeste dandy’s mogen dan een officiële bezigheid hebben als schrijver of kunstenaar, in feite is hun eigen hoogst-individuele persoonlijkheid hun echte meesterwerk. Zoals Edwards schrijft, zonder valse bescheidenheid: „Ik probeer elke dag meer en meer Dickon Edwards te zijn. Ik ben mijn eigen icoon.” Dat laat weinig ruimte over voor ander werk. Ook Crisp zei het al: „Om een goede gezondheid te verkrijgen, is het van het grootste belang dat je nimmer, nimmer werkt.”

Edwards is verantwoordelijk voor het langstlopende weblog van Groot-Brittannië, Diary of the Centre of the Earth. Dit dagboek, dat al loopt sinds 1997, heeft meer dan 10.000 bezoekers per week. Maar al deze activiteiten zijn in zijn ogen niet meer dan een voortvloeisel van zijn echte roeping: Being Dickon Edwards.

„Ik heb zo vaak een Normaal Leven geprobeerd,” schrijft hij in zijn weblog. „Dan bedoel ik een baan waar je je volstrekt niet mee kan verenigen, puur om het geld. Het lijkt te werken voor sommige mensen, en ik bewonder ze enorm. Maar voor mij is het een leugen tot op de rand van walging. Ik voel me een indringer, een bedrieger. Op 35-jarige leeftijd heb ik voorbij elke gerede twijfel geleerd dat de Wereld van Werk en ik onverenigbaar zijn. Het maakt me ziek, of ik breek waardevolle dingen, of computers crashen onverklaarbaar in mijn aanwezigheid.” Maar wat hij wél kan, concludeert Edwards, is Being Dickon Edwards. „Dan wordt het een kwestie van een werk-ethos ontwikkelen en Being Dickon Edwards behandelen als elke andere baan.”

Edwards ontwikkelde, na een suggestie van twee afzonderlijke lezers, een sponsorschema, ‘Dickon’s Diary Angels’, waarbij mensen geld kunnen doneren om hem te helpen onderhouden, „net als iedere andere Londense toeristenattractie”. In ruil daarvoor beloofde de auteur onder andere om regelmatig stukken van een zekere lengte en kwaliteit te schrijven voor zijn weblog, dit te benaderen als een serieuze baan, en: „Als Gesponsorde Dandy beloof ik om altijd mijn uiterlijk te onderhouden met de toewijding en de ijver die elk ander uniform toekomt. Nooit zal ik het huis verlaten zonder das of een zijden sjaal. Al ga ik naar de wasserette, de buurtwinkel of de kapper.

Edwards heeft daarmee het moderne unicum gecreëerd van een niet door een mecenas of kroonprins onderhouden dandy, maar een die – op zeer bescheiden schaal weliswaar – gesponsord wordt door vaak anonieme lezers op internet. „Het heeft me echt doen realiseren dat er mensen zijn voor wie ik van nut ben!”, zegt hij. „Het is eigenlijk gewoon het equivalent van de pet van de straatmuzikant. Behalve dan dat ik speel met tekst.” Welbeschouwd is ook het feit dat een dandy communiceert met de wereld via een dagboek – voor de dagen van het internet het minst publieke medium denkbaar – een volstrekt nieuwe ontwikkeling.

Maar is er, afgezien daarvan, eigenlijk wel zoveel veranderd sinds de dagen dat Quentin Crisp werd uitgescholden op straat? „Ze haten me in Engeland, háten me. Ze houden je staande op straat, slaan je in elkaar, spugen naar je”, vertelde Crisp aan Horsley toen die hem ging opzoeken in New York. En het blijkt nog steeds verontrustend makkelijk, voor flamboyante types met een uiterlijk dat wijst op ijdelheid en een zekere seksuele ambiguïteit, om te shockeren. „Dandy’s houden de samenleving scherp, ze houden een soort spiegel voor.” In mijn geval, zegt Edwards, is de reactie die ik zou willen uitlokken simpelweg het idee dat er andere manieren van zijn bestaan. „Het idee dat mensen niet bij bendes, clubjes of groepen hoeven horen. Ik word door mensen op straat nagefloten in Londen, maar ik hoop dat ik hun dag dan toch een beetje interessanter heb gemaakt. En heel misschien heb ik wel ergens een zaadje geplant van belangstelling voor individuele expressie.”

Dickon Edwards, Diary of the Centre of the Earth: http://dickonedwards.co.uk/Sebastian Horsley’s blog: http://sebastianhorsley.typepad.com/Sebastian Horsley: Dandy in the Underworld. Sceptre, 324 blz. 16.99 pond. Euro?Alice Cicolini: The New English Dandy. Thames & Hudson, 176 blz. 16.99 pond.The Chap. A Journal for the Modern Gentleman. www.thechap.net