Muziekstudiehuis

Vorige week schreef ik over het besluit van minister Plasterk om het advies van de Commissie-Rinnooy Kan om academisch geschoolde leraren marktconform te belonen, naast zich neer te leggen. Dit heeft tot gevolg dat de trend dat leraren steeds lager zijn opgeleid, ook de komende jaren zal doorzetten. Verschillende lezers hebben mij verweten dat ik te weinig oog zou hebben voor het feit dat voor de beloning van leraren andere zaken zeker zo belangrijk zijn als het niveau van de opleiding, zoals bijvoorbeeld de inzet voor werkweek, excursies, sportdagen, disco-avonden, etc. En, kreeg ik te horen, eerstegraads leraren hebben nou niet bepaald de naam om bij dit soort activiteiten voorop te lopen.

Gemiddeld genomen is dit ongetwijfeld waar, maar dat heeft niets te maken met eerste- of tweedegraads, maar met leeftijd. Het onderwijs is de meest vergrijsde sector van onze samenleving en de hoogste eerstegraadsdichtheid vind je nu eenmaal onder de oudere docenten.

Wat de leeftijdsopbouw betreft is er in het onderwijs, naast de vergrijzing, nóg iets eigenaardigs aan de hand. In de jaren tachtig en negentig hadden scholen, als gevolg van de effecten van ‘de pil’, te kampen met een dramatische terugloop van leerlingenaantallen. Daardoor zijn er in die jaren nauwelijks nieuwe leraren bij gekomen. Sedert kort is de grijze golf begonnen het onderwijs uit te stromen en zijn er voor het eerst weer grote groepen jongeren ingestroomd. Met als gevolg een onevenwichtige leeftijdsopbouw: veel ouderen, en relatief veel jongeren. De ouderen in het algemeen hoog, de jongeren vaak lager opgeleid.

Buitenschoolse activiteiten en vernieuwende initiatieven komen vooral van de jongeren. Dat was vroeger ook zo toen die ouderen van nu nog jong waren, en zo gaat het straks ook weer met de jongeren van nu. Die worden ook ouder, maar voor het moment zijn die jongeren met hun enthousiasme en energie voor de school natuurlijk van onschatbare waarde.

Nu schijnen velen te denken dat, als je leraren met een hogere opleiding extra beloont, andere kwaliteiten bij de beloning geen rol zouden kunnen spelen. Besturen hebben evenwel, ook nu al, alle ruimte om daar rekening mee te houden. Bijvoorbeeld door leraren die zich extra verdienstelijk maken een bonus te geven. Maar bestuurders maken slechts zelden van deze mogelijkheid gebruik. In de regel blijft het bij het extra honoreren van managementtaken. Met als gevolg dat er in scholen veel meer gemanaged wordt dan de leraren lief is. Bovendien worden daardoor de beste leraren aan het onderwijs onttrokken en komt het lesgeven op steeds minder schouders terecht.

Ik vind het besluit van Plasterk zo treurig omdat het aansluit bij de door bestuurders steeds algemener beleden opvatting dat we het belang van de vakdeskundigheid van de leraar niet moeten overschatten, dat andere kwaliteiten veel belangrijker zijn. Het idee van de leermeester, en helemaal dat van de inspirerende leermeester, is uit het onderwijs aan het verdwijnen. We vinden die idee alleen nog bij de kunstopleidingen. Daar doet het er bijvoorbeeld wel toe bij wie je viool hebt gestudeerd. Daar hoef je niet aan te komen met het verhaal dat de leraar de facilitator is van leerprocessen, dat die niet moet vertellen hoe de leerlingen moeten leren spelen, dat hij ze dat zelf moet laten uitvinden omdat ze allemaal verschillend zijn en daarom hun eigen unieke leerweg moeten volgen. Daar gaat men er dus niet van uit dat, als je de leerlingen een viool en een strijkstok in de handen duwt, iedereen zijn eigen weg wel vindt in het muziekstudiehuis.

lgm.prick@worldonline.nl