Leg niet te makkelijk verband tussen afkomst en sociaal gedrag

Bij straatmisdaad is de etnische afkomst zelden echt relevant. De achtergronden van crimineel gedrag zijn eerder psychologisch en sociaal dan cultureel bepaald. Daarom is het geen vermijdend gedrag om die afkomst niet te willen benadrukken, maar een bewijs van gezond verstand.

Ian Buruma

Auteur van onder andere ‘De dood van een gezonde roker: Nederland na de moord op Theo van Gogh’ en ‘Occidentalisme: het Westen in de ogen van zijn vijanden’.

Er zijn veel manieren waarop overheden omspringen met burgers. Onverschilligheid is niet de ergste. Duitse joden, om maar een voorbeeld te noemen, zouden tijdens de jaren dertig en veertig blij zijn geweest met wat meer onverschilligheid. Niettemin wordt onverschilligheid nu door velen gezien als een van de belangrijkste oorzaken van het Nederlandse ‘multiculturele drama’. Nederland is, in de woorden van Paul Scheffer, een ‘vermijdingsland’, een land waarin conflicten worden weggemoffeld, verzwegen, uit de weg gegaan, door een gemakzuchtige, zelfingenomen vorm van tolerantie.

Nu weet ik niet zo zeker of Nederland in dit opzicht uitzonderlijk is. Multiculti ideologen – nu een uitstervende groep – verwierpen ook in andere westerse landen iedere kritiek op niet-westerse culturen, en zelfs op niet-westerse dictaturen, onder het mom dat dergelijke kritiek zou berusten op ‘imperialisme’, zo niet op racisme. En wat betreft het uiten van opinies over anderen blinken Nederlanders beslist niet uit in superieure tact; eerder het omgekeerde.

Maar goed, het is waar dat de politiek in Nederland lang geneigd is geweest om eerder conflicten te vermijden dan te verscherpen. Deze traditie is niet heldhaftig. Harde jongens voelden zich meer thuis in de koloniën.

Liberale democratie, vooral in landen zo doordrenkt van handelsgeest als Nederland, is haast per definitie niet heldhaftig. Compromissen, polderen, marchanderen, de boel bij elkaar houden, zijn bij uitstek de handelswijzen waar een klein, democratisch land wel bij vaart. De manier waarop Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog de dans ontsprong wordt weleens gezien als laf. Maar het was het gevolg van een volkomen logische inschatting van het nationale belang. Was Nederland er werkelijk beter van geworden als duizenden Nederlanders waren verzwolgen in de modder van Vlaanderen? De enkele keer dat de Nederlandse leeuw ook even wilde meebrullen op het internationale strijdtoneel – denk aan Srebrenica – was niet succesvol.

Maar soms is polderen inderdaad niet afdoende. Volgens Scheffer zou de grote toevloed van immigranten uit hardere, minder verdraagzame samenlevingen een impuls moeten geven om scherper na te denken over nationale identiteit, culturele conflicten, en handhaving van de rechtsorde.

Het is altijd goed om over dergelijke dingen na te denken. Conflict is inderdaad onontbeerlijk als mensen op religieuze of culturele gronden de vrijheid van mening bedreigen. Schipperen kan dan funest zijn. Maar critici van de vermeende Nederlandse lankmoedigheid tekenen vaak een ander bezwaar aan, namelijk dat de etnische oorsprong van mensen die regelmatig de wet overtreden, opzettelijk wordt verdoezeld. Als jongeren van Marokkaanse afkomst in Amsterdam ruiten ingooien, mensen op straat beroven of auto’s in brand steken, dan moet die afkomst niet worden verzwegen uit angst om te worden beticht van racisme. Integendeel, die afkomst moet juist worden benadrukt. Alleen door de dingen bij de naam te noemen, kunnen we verder komen.

Kennis van feiten is natuurlijk belangrijk. Er zijn allerlei redenen te bedenken waarom jongeren van Marokkaanse – of Antilliaanse – afkomst zich vaker schuldig maken aan straatmisdaad in Nederland dan bijvoorbeeld hindoes of Chinezen. En het is zaak voor sociologen, politieambtenaren, en politieke analisten om zich over deze vraagstukken te buigen. Maar is de samenleving er werkelijk mee gediend als de etnische achtergrond van straatmisdadigers extra wordt benadrukt in krantenkoppen, tv-uitzendingen, en politieke toespraken? Het verband tussen afkomst en sociaal gedrag ligt zelden voor de hand, en enige voorzichtigheid is daarom geboden.

Laat ik een ander voorbeeld noemen. Onder de ‘oligarchen’ die zich onder Boris Jeltsin op ongehoorde wijze hebben verrijkt komen veel joodse namen voor. Alweer, er zijn vast wel historische, of sociologische redenen te bedenken om dit verschijnsel te verklaren. Hetzelfde geldt voor het feit dat onevenredig veel Hollywoodproducten van joodse afkomst zijn, en zo ook neoconservatieve intellectuelen in Washington en New York. Maar het is moeilijk denkbaar dat er een diep verband zou bestaan tussen het jodendom per se (wat dat ook moge zijn) en geld verdienen onder Jeltsin, films produceren in Hollywood, of het hebben van neoconservatieve denkbeelden.

Vaak komt het gedrag van bepaalde bevolkingsgroepen voort uit toevallige omstandigheden. De meeste kruideniers in Manhattan zijn Koreaans, omdat de eerste Koreaanse immigranten daar hun plaats vonden, en daaruit ontstonden netwerken. Met de Koreaanse cultuur, laat staan met meer Blut und Boden-achtige oorzaken, heeft het kruidenierswezen niets te maken.

Afgezien van alle morele bezwaren die eraan kleven, zou de gewoonte om een Hollywoodproducent in de krant te identificeren als ‘de jood Steven Spielberg’, of een Russische oligarch als ‘de jood Berezovsky’, of een kruidenier in New York als ‘de Koreaan Kim’, ons begrip niet verruimen. Waarom dan wel ‘Marokkaanse jongeren beroven een oude vrouw in Zuid’?

In een dergelijke zin wordt de suggestie gewekt dat het hier niet om Nederlanders gaat, maar om Marokkanen, en dat hun misdadige gedrag alles te maken heeft met een Marokkaanse volksaard, cultuur of samenleving, die immers anders is dan de onze, grimmiger, minder verdraagzaam, et cetera.

Het probleem met dit beeld is dat de straatjeugd om het August-Allebé plein zich allerminst thuis zou voelen in Marokko. Ook niet de moordenaar Mohammed B., die zijn revolutionaire vorm van islam moest halen van het internet. En zijn islam had niets te maken met het traditionele geloof van mensen uit het Rifgebergte.

Net als alle immigranten van de tweede generatie, hebben ‘Marokkanen’, ‘Turken’, ‘Koreanen’, of immigranten van welke afkomst dan ook, te kampen met een soort dubbele vervreemding. Velen voelen zich noch thuis in het land van hun geboorte, noch in het land van hun vaders. Dit geeft grote onzekerheid. Gebrekkig onderwijs en hoge werkloosheid leiden dan gemakkelijk tot ontsporing. Dit is geen excuus, of een reden om wangedrag te tolereren, maar het is tenminste een verklaring die niet een of andere minderheid stigmatiseert.

Soms vinden immigranten, en hun zoons, een soort onderdak in georganiseerde misdaad, vaak met een traditioneel tintje: Cosa Nostra, Chinese triads, Russische maffia. Dit heeft zekere voordelen: maffiabuurten kennen dikwijls weinig straatmisdaad. Daar houden de bazen niet van. Misschien zijn er niet genoeg Marokkaanse maffiabazen om hun jongens in de hand te houden.

Immigratie brengt problemen. Daar kunnen en moeten we niet omheen. Als immigranten de wet overtreden moeten zij net zo hard worden aangepakt als ieder ander. Vrouwenmishandeling bijvoorbeeld mag niet worden goedgepraat onder het mom van culturele tolerantie. Als Scheffer dat bedoelt met conflictvermijding, dan heeft hij gelijk. Maar we moeten even voorzichtig zijn met andere culturele dwaalsporen. Als kranten en politici alsmaar hameren op de etnische afkomst van misdadigers, worden vooroordelen versterkt en conflicten aangemoedigd, in plaats van dat we er wijzer van worden. En dat is eerder een teken van lafheid dan van moed.