Kansarm slagen

Voor de leerlingen van het Citycollege St. Franciscus is de weg naar een diploma zwaar. „Vaak betalen ze met zelf verdiend geld de jaarlijkse ouderbijdrage.”

Urakhan Cevik Czerwinski, Bas

‘De inspecteur is niet zo blij met ons”, zucht Willem Vonk, rector van het Citycollege in Rotterdam. „Bij zijn laatste bezoek waarschuwde hij ons dat we over twee jaar in de categorie ‘zeer zwakke scholen’ terechtkomen als de resultaten niet verbeteren. ‘Dat moet dan maar’, heb ik hem gezegd. ‘Als ik elk jaar honderd of honderdvijfentwintig leerlingen de deur uit zie lopen met een diploma, heb ik dat ervoor over.’”

Het Citycollege St. Franciscus, een school voor havo, vwo en gymnasium, staat midden in Rotterdam. Het monumentale gebouw uit 1922 herbergt zo’n achthonderd leerlingen, afkomstig uit veertig verschillende culturen. Nog geen tien procent is van Nederlandse afkomst, een kwart heeft Turkse ouders, een kwart is Marokkaan, een grote groep heeft een Kaapverdiaanse of een Surinaamse achtergrond. Het zijn de slimme arbeiderskinderen van nu. Kinderen voor wie leren en studeren van huis uit niet gewoon is, maar die de kans grijpen om zich te ontworstelen aan hun milieu van armoede en ongeletterdheid.

Vonk (58), al 28 jaar verbonden aan de school, waarvan de laatste twintig als rector, is een idealist. Als katholieke arbeiderszoon – zijn vader was lasser – ging hij ooit zelf naar het toenmalige St. Franciscuscollege omdat dat voor hem de enige mogelijkheid was om het gymnasium te volgen. En gymnasium moest het worden van zijn vader, want zo luidde het advies van de lagere school. Hij is zijn ouders nog altijd dankbaar dat ze het hoogste zochten voor hem. Vandaar dat Vonk op zijn school graag leerlingen toelaat die ergens anders niet welkom zijn, omdat hun Citoscore net iets te laag is. Ook voor kinderen die wegens gedragsproblemen elders van school gestuurd worden, is het Citycollege een uitwijkplaats.

De weg naar het diploma – en verder – is zwaar voor de meeste leerlingen. Problemen thuis, taalachterstand, gebrekkige sociale vaardigheden, bijna allemaal hebben ze er wel hun portie van. Vooral de armoede is groot, vertelt schoolmaatschappelijk werkster Jeannette Stronkhorst. „Vaak betalen ze met zelfverdiend geld de jaarlijkse ouderbijdrage en alle excursies. De kinderen hebben een grote verantwoordelijkheid, ze tolken voor hun ouders bij de dokter en in het ziekenhuis, ze zorgen voor hen als ze ziek zijn. Nog afgezien van de ellende die sommigen meemaken, verwaarlozing en huiselijk geweld, ouders die verslaafd zijn of in de gevangenis zitten. Het is een wonder dat die kinderen ondanks al hun sores toch nog elke dag naar school komen, hun boeken bij zich hebben en proberen op te letten in de klas. Zelf had ik misschien al lang op het Centraal Station gezeten.”

Kansarme, maar gemotiveerde en getalenteerde kinderen de gelegenheid bieden een havo- of vwo-diploma te halen, dat is de missie van Willem Vonk. Daarmee maakt hij het zichzelf niet gemakkelijk. In 1997 riep dagblad Trouw op grond van onder meer het gemiddelde eindexamencijfer en het percentage zittenblijvers en uitvallers het Citycollege uit tot de slechtste school van Nederland. Tien jaar later voelt Vonk nog altijd de hete adem van de Onderwijsinspectie in zijn nek. Want de uitval is nog steeds hoog, de slagingspercentages zijn laag, net als de gemiddelde eindexamencijfers. Maar dat krijg je, zegt Vonk, als je twijfelgevallen een kans wil geven. „Het gebeurt net zo goed dat een kind met een magere Citoscore bij ons komt omdat de basisschool zegt: ‘neem deze leerling aan, hij kan het’. En die haalt vervolgens met vlag en wimpel zijn gymnasiumdiploma. Zolang ik dat meemaak, wijzig ik mijn beleid niet.”

Geld is het probleem niet. Met een extra budget van 700 duizend euro uit het nieuwe fonds voor achterstandsscholen kunnen allerlei voorzieningen worden betaald. Weerbaarheidstraining voor alle leerlingen. Twee middagen per week verplicht huiswerk maken op school, onder begeleiding, want thuis werken is voor de meeste leerlingen, zeker in de onderbouw, allesbehalve vanzelfsprekend. Er kan, indien nodig, zorg op maat geregeld worden, van een cursus psycho-educatie voor somberaars tot gedragstherapie voor agressieve meiden. De extra tonnen van het ministerie verlichten ook de werkdruk van de leraren; het Citycollege heeft maar liefst 108 medewerkers op 835 leerlingen. Toch kampt de school, net als de meeste zwarte scholen in Nederland, met een groot verloop.

„Je moet het willen en kunnen, lesgeven op een school als deze”, zegt wiskundeleraar Bart Vercauteren. „Je moet bereid zijn je in deze kinderen te verdiepen. Om je kennis te kunnen overdragen, moet je eerst een goede werksfeer creëren, want ze zitten met hun hoofd altijd ergens anders. Maar als je de aansluiting vindt, kun je ook heel wat bereiken, en maak je echt deel uit van hun wereld. Op de blanke school in Brussel waar ik heb gestaan, was het contact veel afstandelijker.”

Standaardopmerking van afdelingsleider Willibrord Baar (54): „Wij hebben tenminste geen ouders die om elk wissewasje naar school komen.” Integendeel, het is een hele toer om ouders naar school te krijgen. Baar: „Ik speel het vooral via de leerlingen. Als er een informatieavond voor de deur staat, vraag ik: ‘Je ouders komen, toch? Nee? Wat nou, houden ze soms niet van je? Ze moeten komen, hoor! Jij kunt het niet alleen. En ik kan het ook niet alleen. Zorg dat ze er zijn.’”

De leraren zijn voor veel leerlingen van het Citycollege de enige autochtonen die ze kennen. Gemiddeld hebben ze twee à drie klasgenoten van Nederlandse herkomst, en buiten school gaan de meesten niet met Nederlanders om. Het kan niet anders of dit gesegregeerde bestaan heeft een slechte invloed op hun schoolprestaties. Concentratie van achterstandsproblematiek drukt de resultaten van de hele schoolpopulatie, zo is al tientallen jaren bekend. De vraag dient zich aan, in het verlengde van het oordeel van de Onderwijsinspectie, of deze leerlingen ondanks alle inspanningen van de school wel de opleiding krijgen waar ze recht op hebben. Hoe moeten deze jongeren, die zo geïsoleerd opgroeien, ooit gaan behoren tot, zoals in de schoolgids staat, ‘de multiculturele voorhoede van Nederland’?

De leerlingen zelf zien vooral de voordelen van een zwarte school. Burakhan Çevik (17) uit Havo 4 heeft het op het Citycollege veel meer naar zijn zin dan op zijn vorige school, het gemengde Johannes Calvijn. „Daar zaten in de kantine de Nederlanders links en de buitenlanders rechts. Daar schiet je ook niet zoveel mee op.” Ikram Bais (15), ook uit Havo 4, vertelt dat ze in groep 8 eigenlijk een andere school op het oog had, in een witte buurt in Rotterdam-Oost, maar toen ze daar met haar moeder op de open dag was, voelde ze zich niet welkom. „Mijn moeder draagt een hoofddoek. Niet strak om haar hoofd, gewoon naar achteren, maar we werden zó raar aangekeken. Na een uur wist ik dat ik niet naar die school wilde.”

„Waarom zouden er meer Nederlanders op deze school moeten zitten?” vraagt Kaltoum Amir (17) uit VWO 6. „Wij komen hier niks te kort. Nederlanders kunnen mij toch niet begrijpen, ik kom uit een totaal andere cultuur. Wij zijn thuis met negen kinderen. Ik ben tante van dertien neefjes en nichtjes. Als ik dat aan Nederlanders vertel, kunnen ze zich daar geen voorstelling van maken. Ik ga heus niet alleen met Marokkanen om, ik heb een Chinese vriendin, een Bosnische vriendin, een Turkse vriendin.”

Diana van Golden (16), een autochtone Rotterdamse uit VWO 4, merkt soms dat ze met haar Nederlandse vriendinnen die op andere scholen zitten niet meer op dezelfde golflengte zit. „Ik ga al vanaf de lagere school met buitenlanders om. Als ik hen vertel over een Turkse vriendin die het voor haar ouders verborgen moet houden dat ze een vriendje heeft, zie je ze denken: ‘In wat voor wereld leef jij?’ Want zelf hebben ze elke week een nieuwe vriend, en hun ouders vinden dat prima.”

Ook van het schoolteam wil niemand het ‘zwarteschoolschap’ als een probleem zien. Omdat dat zou voelen als verraad ten opzichte van ‘hun’ allochtone kinderen. En omdat het nu eenmaal de realiteit is. Jeanette Stronkhorst, de maatschappelijk werkster: „We rooien het hier met zijn allen. Dat is het ‘Citygevoel’. Ik ben bang dat juist met meer autochtone leerlingen een sociale tweedeling ontstaat. Kinderen die het arm hebben thuis, hoeven zich hier geen uitzondering te voelen.” Rector Vonk: „Het Montessorilyceum hier tegenover, dat is de ‘hockeyschool’. Daar passen andere kinderen moeilijk in. Althans, zo denkt men. Maar dat is de vrijheid van onderwijs in Nederland. Iedere school zet in op een bepaalde doelgroep, dat geldt ook voor ons.”

Bart Vercauteren, die niet alleen wiskunde geeft maar zich ook bezighoudt met het ‘taalbeleid’ van de school, erkent wel dat een gemengdere populatie „misschien gezonder” zou zijn, zeker voor de taalbeheersing van de leerlingen. „Maar hoe moet je dat organiseren? De segregatie begint al op de basisschool. We mogen blij zijn dat het in elk geval nog een mix van verschillende culturen is, dat niet één etnische groep overheerst.”

Het is waar, er is natuurlijk ook die andere, multiculturele kant. De Onderwijsinspectie prijst de school om haar ‘aandacht voor burgerschapsvorming en integratie’. Het Citycollege is multicultureel in de ideologische zin van het woord: de leerlingen krijgen geen kans hun eigen cultuur of geloof te promoten ten koste van andere, en voor extremistische ideeën is al helemaal geen plaats. Het vehikel bij uitstek waarmee de school waarden als altruïsme, tolerantie en respect voor andersdenkenden overdraagt, is haar katholieke identiteit. Rector Vonk: „We proberen de leerlingen vanuit onze eigen katholieke inspiratie bij te brengen dat het belangrijk is om een geloof te hebben waar je op terug kunt vallen. Welk geloof dat is, hangt af van waar in de wereld en in welk gezin je geboren bent. Mensen die vinden dat hun godsdienst de enige juiste is, zijn hier niet welkom.”

Op dierendag, gedenkdag van de heilige Franciscus van Assisi, is er gebak in de docentenkamer. Alle leerlingen uit havo 4 hebben een presentatie voorbereid over hem, de naamgever van hun school. In groepjes gaan ze de klassen langs. Er wordt gerapt, gedanst, toneelgespeeld. „Marokkaanse jongens in monnikshabijt, ik had nooit gedacht dat ze dat zouden doen”, lacht docente levensbeschouwing Priscilla Mahadew, die het Franciscus-project met de leerlingen heeft voorbereid. Adil, Daisy, Burak en Rangelo houden het bij hun voordracht in vwo 5 op een klassieke levensbeschrijving van de katholieke heilige. Gevieren vertellen ze over de natuurmens Franciscus, de man die met vogels spreekt en die de wolf verzoent met de mensen, omdat hij de wolf in zichzelf heeft getemd. Ze hebben het over Jezus en het evangelie, en na afloop delen ze lolly’s uit.

Willibrord Baar, afdelingsleider van havo 2 en 3 en al zijn halve leven verbonden aan het Citycollege, houdt van de kinderen op zijn school. Omdat het kinderen zijn, en omdat ze ondanks hun problemen tegen de klippen op naar school blijven komen, vrolijk zijn en zich meestal nog netjes weten te kleden ook. Maar voor vrome multiculti-praatjes moet je niet bij hem wezen. Over de exotische hapjes in de docentenkamer, overgebleven van een Iftarmaaltijd die de zes-vwo’ers de avond ervoor hadden georganiseerd: „Waarom maken ze niet iets wat ik ook lekker vind?” Serieus streng is hij als leerlingen hun geloof in de strijd werpen om ergens niet aan mee te hoeven doen. „Pas geleden zijn we met de hele school naar de theatervoorstelling ‘Seks in de stad’ geweest. Twee jongens zeiden van te voren dat ze niet mee wilden, omdat het ramadan was. Dan mochten ze zoiets niet doen. Nonsens. Ik heb dezelfde dag nog de ouders op school laten komen. Die vonden ook dat hun kinderen gewoon mee moesten.”

Hoofddoekjes zijn verboden op het Citycollege, om groepsvorming tegen te gaan én om de leerlingen zo goed mogelijk toe te rusten voor de Nederlandse maatschappij, om hun te leren dat je je soms moet aanpassen. De leerlingen zijn het daar niet mee eens. Burakhan Çevik: ,,Ze hebben het over respect voor alle godsdiensten, maar als de meisjes hier geen hoofddoek op mogen, heb je dus geen respect voor de islam.” Kaltoum Amir draagt geen hoofddoek, maar dat is, vertelt ze, omdat het op school niet mag en ze het lastig vindt om hem steeds op en af te moeten doen. Ze kan niet wachten tot ze rechten gaat studeren aan de Erasmus Universiteit, waar hoofddoeken wel zijn toegestaan.

Hoe dan ook, na ‘11 september’ en de moord op Theo van Gogh waren op het Citycollege geen taferelen van juichende leerlingen, zoals op sommige andere scholen met veel moslimleerlingen. Al vertelt Diana van Golden dat vorig jaar een discussie in de aula over het Midden-Oosten, waarbij joodse gastsprekers waren uitgenodigd, wel wat uit de hand liep. Er werden antisemitische grappen gemaakt en de kreet ‘Hamas Hamas alle joden aan het gas’ klonk. Puberaal gedrag, volgens Burakhan Çevik. „Als je zulke mensen de microfoon geeft, zijn ze ineens stil. Dan weten ze niet wat ze moeten zeggen.” Anouschka de Regt, lerares geschiedenis en maatschappijleer, vindt het juist opvallend hoe genuanceerd de meeste leerlingen denken, en hoe goed ze hun mening kunnen beargumenteren. „Ze krijgen van meerdere kanten informatie. Nederlandse kinderen kijken niet naar Turkse zenders en naar Al-Jazeera.”

Willem Vonk ziet starheid van denken en conservatisme wel degelijk als een probleem. „Vooral de jongens hebben soms beangstigend bekrompen opvattingen. Gisteren vertelde een collega dat in zijn 5 vwo-klas een jongen het bestond om een meisje te kapittelen over haar rok, die te kort was volgens hem. Die collega vraagt hem waar hij zich mee bemoeit, en dan ontstaat er een felle discussie. Die discussies zijn broodnodig, om ervoor te zorgen dat die kinderen zich straks niet onmogelijk maken door hun denkbeelden.”

Hoe vergaat het de oud-leerlingen? Redden ze zich in het hoger onderwijs, bijvoorbeeld? „Oud-leerlingen met wie het niet zo best gaat, zie je niet op reünies”, zegt Baar. Willem Vonk: „Soms horen we fantastische verhalen, die gebruiken we om de huidige leerlingen te stimuleren. Want doorstuderen is niet vanzelfsprekend. Vooral van de havo-leerlingen gaat een groot deel na het examen werken. Vorig jaar leverden twee Marokkaanse meisjes uit vwo 6 tijdens het examen een leeg blaadje in. Ze wilden zakken en nog een jaar op school blijven, want ze mochten van pa toch niet gaan studeren.”

Als de onderwijsinspecteur weer langs komt volgend jaar, zal hij hopelijk wat positiever zijn, zegt Vonk. „We zoeken voortdurend naar het juiste evenwicht tussen zorg en onderwijs. Misschien hebben we in het verleden te veel gepamperd. De nadruk komt nu weer meer te liggen op studievaardigheden, en ook selecteren we strenger na de brugklas. Uiteindelijk gaat zo’n oordeel van de inspectie toch niet in je kouwe kleren zitten. Maar wie twijfelt aan het bestaansrecht van deze school, moet zich afvragen wat het alternatief is. Terug naar de jaren vijftig, toen achterstandskinderen nauwelijks een kans kregen?”