‘Ik wil niet de enige sukkel zijn’

Hij ging uit met Hillary Clinton, was minister onder president Clinton en adviseert de huidige presidentskandidaten John Edwards en Barack Obama. Vraaggesprek met de Amerikaanse intellectueel en politicus Robert Reich.

Nog geen vijf minuten in het gesprek verspreekt Robert Reich zich. Hij legt net uit dat consumenten op zoek naar koopjes bedrijven dwingen „werknemers te ontslaan, banen naar het buitenland te verplaatsen and they may be evil...”

Hij valt even stil, beseft zijn verspreking en herneemt zich. Hij bedoelt niet „evil”, duivels, hij bedoelt „even”, zelfs. „And they may even engage in polluting the environment.” Bedrijven kunnen zelfs, omdat ze zo goedkoop mogelijk willen produceren, het milieu vervuilen. Dat bedoelde hij.

‘Evil’, ‘even’. Fonetisch misschien een gering verschil, maar het is de kern van Reichs betoog. Men moet ophouden het bedrijfsleven aan te rekenen zich demonisch op te stellen jegens de omgeving. Ondernemingen vervuilen, behandelen werknemers slecht, dat ligt nou eenmaal in hun aard. „Laten we niet doen alsof dat niet zo is”, zegt hij.

Dat laat onverlet dat wetgeving misstanden moet tegengaan. En daar wringt nou de schoen, stelt Reich. Ons democratisch stelsel laat het afweten omdat wij als burgers, als consumenten, ons niet genoeg inzetten om het bedrijfsleven onder controle te houden. „Wij hebben onze vijand eindelijk ontmoet – en dat blijken wij zelf te zijn.”

Een gesprek met Robert Reich, minister van Arbeid onder president Bill Clinton en hoogleraar ‘publiek beleid’ aan de universiteit van Berkeley, is een Alice in Wonderland-ervaring. De handvol Europese journalisten die Reich spreekt wegens de publicatie van zijn nieuwe boek, Supercapitalism, zit opeengepakt in een zaaltje op de 21ste verdieping van een wolkenkrabber in New York waar zijn uitgever kantoor houdt. Dan komt Reich binnen. Hij maakt nooit een geheim van de botziekte, de oorzaak van zijn geringe gestalte van 1,49 meter. Alle verhoudingen zijn zoek.

Het vrijemarktkapitalisme, vertelt hij, heeft „het heerlijk goed gedaan” – maar ons democratische stelsel, dat uitwassen zou moeten tegengaan, faalt. „Je zou denken dat die twee perfect samengaan, dat democratie en kapitalisme niet zonder elkaar kunnen. Maar we zien overal ter wereld, ook in uw land, een toename van de inkomensongelijkheid, van de opwarming van de aarde, we zien grote kapitalistische landen zoals China buitengewoon ondemocratisch opereren. En in Europa staan de sociale democratie en de verzorgingsstaat onder druk. De reden voor dat alles is dat kapitalisme daarom vraagt. Dat eist dat de productiekosten omlaaggaan zodat de opbrengsten voor investeerders toenemen.”

Burgers kunnen hier toch tegen ageren? Daar hebben we immers politieke systemen voor.

„Voor burgers wordt het juist moeilijker om hun stem te laten horen. Zij komen niet boven de kakofonie uit. Doordat buitenstaanders het politieke proces binnendringen, wordt het steeds duurder om je stem te laten horen. Letterlijk. Het kost geld om anderen naar je te laten luisteren. In machtscentra wordt nu duidelijk dat, zoals ik het noem, het superkapitalisme tersluiks is geïnfiltreerd In het politieke proces. Er zijn zoveel lobbyisten, zoveel voorlichters, zoveel advocaten. Zij domineren het politieke debat. In Washington werken nu al 35.000 lobbyisten.”

Volgens de Europese Commissie zijn in Brussel 15.000 lobbyisten actief. Is dat nog wel efficiënt?

„Extreem efficiënt zelfs, maar het is een wapenwedloop. Of het nou Google, Microsoft of Yahoo is, Amerikaans of Europees, ze hebben allemaal hetzelfde gevoel: wij móéten er zijn om voordeeltjes te behalen in het politieke proces. Niemand kan het zich veroorloven weg te blijven met pelotons aan lobbyisten, juristen, pr-mensen. Het gevolg: het publieke beleid is hoe langer hoe meer het gevolg van concurrentie tussen verschillende bedrijven.”

Hoe erg is dat? Bedrijven lijken zich bewuster van hun rol in de maatschappij en proberen zelf goed te doen.

„We zijn erin gaan geloven dat ondernemingen menselijk zijn. Dat bedrijven daarmee recht hebben op politieke vertegenwoordiging. Dat bedrijven sociale verantwoordelijkheden hebben. Flauwekul. Bedrijven kúnnen helemaal niet sociaal verantwoordelijk zijn, willen dat ook niet. Ze weten niet eens wat dat betékent.”

Ze zeggen anders van wel. Dat ze een goede buur willen zijn, respect voor de omgeving hebben.

„Ze doen maar alsof want dat is goed voor de public relations. Het idee dat bedrijven hun inkomsten willen of zelfs kúnnen laten teruglopen omdat ze sociaal verantwoordelijk gedrag moeten vertonen, iets in het publieke belang doen, dat is in het beste geval bedrieglijk en in het slechtste geval schadelijk voor ons allemaal. Ook al wil het publiek, willen u en ik, hier zo graag in geloven. Het stelt zo lekker gerust. We denken dat bedrijven zich dankzij de goedhartigheid van bestuursvoorzitters gaan inzetten voor het publiek belang. En dan nu de werkelijkheid: dat doen ze niet.”

Dat juist u dit zegt, verrast. U was altijd voorstander van bedrijven die zich wel sociaal verantwoordelijk opstelden.

„Toen ik minister was onder Bill Clinton, heb ik keihard gevochten voor belastingmaatregelen waardoor bedrijven die zich inzetten voor bepaalde sociale doelstellingen beloond zouden worden. Om een voorbeeld te noemen: ik wilde dat bedrijven hun werknemers langer van tevoren zouden inlichten bij de sluiting van een fabriek. Ik had er toen nog vertrouwen in dat sociaal verantwoordelijke bedrijven het op termijn beter zouden doen dan andere omdat consumenten en investeerders de onderneming zouden vertrouwen.

„Inmiddels is de hoop die ik toen had vervlogen. Bedrijven hebben helemaal geen geduld om te wachten totdat ze ‘op termijn’ beloond worden, het enige waarop ze worden afgerekend is de aandelenkoers van die dag.

„Ik ben ook gedesillusioneerd over bedrijven die zeggen dat ze milieuvriendelijk worden, maar in de praktijk nauwelijks iets doen. Neem Wal-Mart, de grootste winkelketen ter wereld. Het bedrijf zegt ‘groen’ te worden. Ja, het gebruikt inderdaad verpakkingsmaterialen die minder schadelijk zijn voor het milieu. Maar Wal-Mart doet dat alleen maar omdat dit goedkoper is. Dat bedrijven alleen maar groen willen worden als dat goedkoper is, neem ik ze niet kwalijk. Dat is gewoon slim zakendoen. Maar zég dan niet dat je het voor het milieu doet.

„Ander voorbeeld: BP. Het oliebedrijf veranderde eerst de naam, van British Petroleum naar BP. En dat zou dan nu staan voor beyond petroleum, ‘aardolie voorbij’. Maar op exact hetzelfde moment blijkt dat het bedrijf te weinig investeert om olielekkages in Alaska te voorkomen en dat BP nauwelijks zoveel geld als ze ons willen doen geloven steekt in onderzoek naar nieuwe energievormen.”

Robert Reich praat geestdriftig en remt alleen af als hij een woord wil beklemtonen. „Wal-Mart wordt gezien als een ver-schrik-ke-lijk bedrijf, Ben & Jerry’s zou zelfs re-gen-wou-den beschermen en Starbucks is hoegenaamd een won-der-scho-ne onderneming zijn. Maar laten we eerlijk zijn. Wal-Mart doet precies waarin het goed moet zijn: het biedt massaproducten aan tegen een lage prijs. Als we het niet eens zijn met hoe ze hun werknemers onderbetalen, dan moeten we de wet aanpassen en het minimumloon verhogen.

„En neem Ben & Jerry’s, in handen van het Nederlands-Britse Unilever. Zij zijn helemaal niet zo sociaal bezig. Ze verkopen dikmakend en dus ongezond ijs. En de enige reden waarom Starbucks goed is voor de werknemers is dat ze langer binnenboord blijven als je ze normaal bejegend. Geweldig allemaal, die mooie verhalen. Maar het is pr. Als we hier als burger intrappen, doen we onszelf tekort. We ondermijnen dan onze mogelijkheden als burgers wetten en regels na te streven die de bedrijven in toom moeten houden.”

Dus we moeten onszelf hiervan de schuld geven?

„Het is onze eigen fout dat we bedrijven geloven.”

U vindt dat we een faustiaans pact hebben gesloten? U stelt dat wij als burgers onze ziel hebben verkocht?

„Nee, niet als burger. Als consument. En als belegger, ook al zijn we ons daarvan niet bewust. Want waar denk je dat die koopjes waar we zo gek op zijn vandaan komen? Die komen van bedrijven die met elkaar concurreren om ons almaar minder te vragen voor producten. Zij dringen daarvoor hun arbeidskosten terug, besteden banen uit. We willen bijvoorbeeld graag kleine winkeliers behouden in de binnenstad, in de buurt. Om dat te bereiken moeten we de grote winkelketens weren. En die zijn nou juist zo gemakkelijk. En ze zijn goedkoper.”

Staan wij erbij en kijken we ernaar?

„Nee hoor, wij zijn hartstikke druk bezig. Voordeeltjes te behalen. Ikzelf net zo goed hoor. Ik reis flink wat en ik selecteer mijn reizen op basis van prijs: ik wil de goedkoopste vlucht. Het deel van mijn hersens dat ik maar even mijn ‘burgerdeel’ noem, wil graag de vakbondsleden van de grote luchtvaartmaatschappijen steunen. Dat vind ik belangrijk. Maar het consumentendeel van mijn hersens wil gewoon het laagste tarief betalen.”

Welk deel wint?

„Precies hetzelfde deel dat overal in een superkapitalistische wereld wint: de koopjesjager. Die cognitieve dissonantie praten we goed door ons te verlaten op het democratische stelsel. Dat zorgt immers voor een balans door minimumlonen vast te stellen, bedrijven te reguleren, nietwaar? Nee. Want onze democratie wordt verpletterd door lobbyisten.”

Waarom stopt u dan niet met het vliegen met prijsvechters?

„Omdat ik niet weet of anderen dat ook doen.”

Als iedereen zo redeneert…

„…zolang er geen wet is die me iets verbiedt, doet toch niemand anders me na. Zolang ik als enige een opoffering doe, ben ik niets anders dan de enige sukkel.”

Waartoe leiden deze misstanden van dat superkapitalisme?

„Ik maak me zorgen over de toename van de inkomensongelijkheid. Die is in een stroomversnelling geraakt, in Europa net zo. Dat is niet goed voor die toch al kwetsbare democratie. Het draagt bij aan de ongerustheid van de middenklasse.

„De middenklasse geloofde decennialang in Amerikaanse mythes over opwaartse mobiliteit – nam aan dat ook zij rijk konden worden. Ooit. Maar dat is allemaal veranderd. Amerikanen uit de middenklasse en de lagere middenklasse hebben het gevoel dat ze opgelicht worden. Dat er vals gespeeld wordt. Bestuurders, Wall Street, dat zijn de mensen die de boel flessen ten opzichte van de gewone werkende Amerikanen. Ook al is dat niet zo. Wat alleen niet helpt is dat de zakenwereld niet heeft begrepen dat die klassenangst verminderd kan worden als politiek niet ingeruild zou zijn voor bedrijfsbelangen. Om over de paranoia nog te zwijgen.

„Het logische gevolg is dat we onze democratie kwijtraken. Dat we een land worden, bestuurd door onszelf als consumenten en investeerders. Het voordeel daarvan is dat we flink wat koopjes zullen krijgen. Maar het gevolg van dit superkapitalisme is dat we ook de sociale gevolgen zullen moeten ondergaan: van eenvoudig baanverlies tot klimaatverandering. Want daarin zijn we als consument niet geïnteresseerd.”

Dan rest er maar één oplossing. Zelf het systeem aanpakken. Opnieuw minister worden dan maar?

„Ik hoef niet nog een keer. Als ik gevraagd zou worden, zou ik het doen. Maar ik hóef niet zonodig. Ik ben geen carrièrepoliticus.”

Reich omringt zich wel al jaren met de machtigste politici van het land. Hij werkte onder de presidenten Carter en Ford en is al sinds zijn studententijd aan Oxford en Yale met zowel Hillary – met wie hij ooit eens uitging, zo bekende hij recentelijk in een internetfilmpje – en Bill Clinton bevriend.

Tegen wie van de volgende mensen zou u nee zeggen? Hillary Clinton, Barack Obama, John…

„…ik zou tegen niemand nee zeggen. Ook niet tegen de Republikeinen John McCain of Mitt Romney of, de hemel verhoede het, Rudy Giuliani. Ik zou onder iedereen dienen omdat ik hecht aan de publieke zaak. Ik ben bij de campagnes van Obama en Edwards betrokken, ik adviseer ze. En verder wil ik daar niets over zeggen.”

Het beeld dat u schetst is er een waarin wij het goed vinden voorgelogen te worden. Bedrijven liegen tegen ons als ze zeggen dat ze verantwoordelijk zijn, politici liegen tegen ons over de problemen van deze economie…

„…en wij liegen tegen onszelf.”

Robert Reich, Supercapitalism: The Transformation of Business, Democracy and Everyday Life, 288 blz., 23,75 euro. De Nederlandse vertaling heet Superkapitalisme en de bedreiging voor onze democratie en kost 24,90 euro.