Ik blijf een heer

Vriendelijk en kordaat stond rechter Bert van Delden aan het hoofd van het centrum van de rechterlijke macht. „Je moet natuurlijk wel wát doen. Maar niet te veel.”

‘Als rechter moet je niet voorop gaan lopen. Geen flinkheid, alsjeblieft.’ Foto Johannes van Assem foto Johannes van Assem 03-12-2007, den haag Bert van Delden, scheidend voorzitter Raad voor de rechtspraak Assem, Johannes van

Bert van Delden (66) wordt gescreend door de AIVD. Het amuseert hem zichtbaar. Na vier decennia in de rechterlijke macht als onberispelijk magistraat wordt hij lid van de CTIVD. De ‘Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten’. Een discrete rader in de machinerie van controle en toezicht in het openbaar bestuur. Daar behoort ook de Raad voor de rechtspraak toe. Buiten de bureaucratie hebben weinigen er van gehoord. Maar binnen de rechterlijke macht wordt het gezien en gewantrouwd als een machtscentrum. De Raad gaat over de budgetten, de organisatie, personeel en heeft invloed op benoemingen van presidenten. Van Delden is de voorzitter. Althans dat was hij tot eind november.

Volgend jaar gaat hij namens het parlement de geheime dienst controleren. Nu wordt er door de geheime dienst in zijn kennissenkring navraag gedaan. Hij lacht. Een zoon is vastgoedadvocaat, „maar die heeft me gezegd dat hij alleen nétte cliënten heeft”. Van Delden kan zich niet voorstellen dat ‘ze’ iets zullen vinden.

Zijn favoriete antwoord op vragen is ‘misschien’, waarna hij prompt de nuances induikt. Hij is sterk relativerend, licht ironisch en niet uit zijn evenwicht te krijgen. Binnen de rechterlijke macht moest hij op eieren lopen. „Der Mann ohne Eigenschaften”, zegt hij ergens in het gesprek. Meteen gevolgd door „dat boek heb ik nooit begrepen”. Maar hij heeft ze wel, eigenschappen. En overtuigingen ook.

Hoe heeft u uw macht gebruikt?

„Vooral door anderen opgewekt bezig te laten zijn. Zoveel heb ik eigenlijk niet gedaan. Vergelijk het met een boswachter die een stuk bos braak legt om te zien wat er spontaan opgroeit. Soms haal je dan wat weg. En vaak niet. Je moet natuurlijk wel wát doen. Maar niet te veel.”

U bent gelijkmatig, gereserveerd, altijd vriendelijk.

„Ik ben niet altijd vriendelijk. In een zitting kun je mij anders ervaren. Ik blijf wel een heer. Ik kan me soms ergeren en dat moet je verbloemen. Ik spreek ook wel met stemverheffing. Maar nodig heb ik dat niet. Naarmate je ouder wordt, wordt je steeds meer gezag toegedicht. Daar kun je op kapitaliseren.”

Wat ergert u?

„Als rechters denken dat ze door de Raad, of door mij, een oor wordt aangenaaid. Bij één van de gerechten hoorde ik laatst over ‘machtswellust van de Raad’. Dat irriteert me mateloos. Daar is oprecht geen sprake van. Dat gebeurt als de Raad iets doorzet, waarvoor bij sommige spraakmakende mensen in het gerecht geen draagvlak is. Dat doe ik dan toch omdat ik denk: het gaat hier niet goed.”

Zo’n kwestie in Den Bosch bijvoorbeeld, waar een onbevoegde rechter ongeldige vonnissen wees?

„Nee, daar kan ik niet boos om worden. Dat is een stommiteit. Een onaangenaam bedrijfsongeluk. Dat kan gebeuren. Dat is voor iedereen heel vervelend. Het straalt op ons allemaal af.”

Maar juist dat ‘wij allemaal’ gevoel is zwak ontwikkeld.

„Dat is sterk verbeterd. Er is meer eenheid, meer bereidheid elkaar te helpen. Het is geen teken van zwakte meer als een president zegt ‘ik heb een probleem, kan ik iemand lenen’. Vroeger zou men dat verborgen hebben gehouden.

„Men vond dat het eigen huis altijd op orde was. Ook als de behandeling van een zaak vijf jaar duurde. Maar daarin zag men dan juist zorgvuldigheid en kwaliteit. Als andere gerechten het binnen een jaar konden, dan deugde dat niet, want dat kon geen kwaliteit zijn. Gechargeerd gezegd, dan.”

Maar u kampt nog steeds met zeer lange looptijden van begin tot het einde van een rechtszaak.

„Tien jaar komt nog voor. Dat is wel een beetje veel, zeggen we dan. Ja, maar we zijn met onze kwaliteit bezig, is dan het antwoord. Of: het ligt aan de advocaten. En dan vragen wij weer: maar wat doen jullie eraan? Dat weten ze dan niet. Tja, als partijen er zelf tien jaar over willen doen, vind ik het prima. Maar er zit bij gerechten ook wel een ‘we zien wel’- houding in. Dat is niet goed.”

Rechters voelen zich onder druk gezet en kijken net zo tegen ‘de Raad’ aan als vroeger tegen het ministerie.

„Ja, de kloof heeft zich verplaatst. Rechters zijn ons gaan zien als het departement. En daarvan heeft men per definitie een negatief beeld. Ten onrechte, maar het is wel zo. Dat heeft me teleurgesteld.”

Die hiërarchie is een feit, hoe onafhankelijk rechters ook denken dat ze zijn.

„Ik hoop dat de rechtspraak doorgaat als eenheid, maar tegelijk de individuele onafhankelijkheid van de rechter respecteert. Die moet niet weggezet worden door het bestuur. Maar een rechter die zegt iets te moeten van z’n baas, hoort eigenlijk geen rechter te zijn. Ik begrijp dat het lastig kan zijn. Maar in wezen zijn rechters allemaal gelijk. Een rechter heeft geen baas, en in ieder geval hoort hij zich daar zo min mogelijk naar te gedragen.”

Hoe doe je dat?

„Door een verstandige rechter te zijn. Die luistert en kijkt naar anderen in de organisatie. Je kan niet in je piere-eentje de dingen anders gaan doen. Maar de jongste rechter heeft in beginsel net zo veel zeggenschap als de president van de Hoge Raad. Rechters horen daartoe te worden opgevoed. Ze moeten voor hun vak staan. Een aureooltje van onafhankelijkheid – dát moeten ze hebben.

Trekt u nog de juiste mensen aan? Ik hoor klagen over ‘verambtelijking’ en de ‘muisgrijze profielen’ van nieuwe rechters.

„We zijn heel sterk in het uitsnijden van de uitersten. Er zitten weinig domme mensen in de rechterlijke macht. En weinig briljante. We zitten op de zeven en een half. In de advocatuur zitten vijven en drieën, maar ook negen plussen. Dat is altijd zo geweest. We hebben ook wel flamboyante rechters gehad, van wie je dacht: je zal toch maar in de handen van zo’n man vallen. Goud voor rechtbankverslaggevers, ja. Maar niet voor de justitiabelen. Die zijn meer gebaat bij de goeie middelmaat, helaas. Daardoor is het soms iets saaier.”

Vindt u de regeling om strafzaken te herzien waarin mogelijk onschuldigen zijn veroordeeld, ruim genoeg?

„Ik denk dat er meer ruimte moet komen. Dat gaat ook wel gebeuren. Het zal bijna altijd om technische zaken gaan, met DNA bijvoorbeeld.”

Moeten ook zaken worden heropend om een onterecht vrijgesproken iemand alsnog achter de tralies te krijgen?

„Nee. Ik geloof heel erg in de leer dat er een keer een eind aan een procedure moet komen. Ook als de vrijspraak achteraf misschien onterecht is. Dat is dan heel afschuwelijk, voor veel betrokkenen. Maar dat is voor mij minder een probleem in het licht van het grote goed van de rechtspleging. We moeten accepteren dat er ergens een streep wordt gezet. Als je alles opnieuw ter discussie gaat stellen... Je kunt altijd wel weer nieuwe deskundigen vinden.”

Zegt u dat uit humanitaire overwegingen?

„Nee. Het kunnen geweldige boeven zijn, die dan toch vrij rondlopen. Maar accepteer dat het gebeurt. Je haalt zoveel overhoop. Je moet een keer ophouden. Ook als rechter. Je moet kunnen berusten. Ook een samenleving moet dat kunnen.”

Na de herziening in de Schiedammer-parkzaak stelde u voor bij gerechten een interne ‘meldingscommissie incidenten’ in te stellen, net zoals ziekenhuizen die hebben.

„Er zijn inmiddels een gerechtshof en twee rechtbanken die dat gaan doen. Ze gaan achteraf uitzoeken waarom ze in dezelfde zaak sterk uiteenlopende uitspraken deden. Of zaken waarover twijfels zijn gerezen. Daar zullen vermoedelijk ook buitenstaanders meekijken. Maar dat is vertrouwelijk en blijft intern.”

Daar hebben procespartijen dus niks aan.

„Nee. Er wordt intern gekeken naar vermijdbaarheid, niet verwijtbaarheid. Niet voor niets heb je de roep ‘dissenting opinions’ te publiceren, zodat afwijkende meningen duidelijk worden. Ik zou dat wel mooi vinden. Zeker op het hoogste niveau, bij de Hoge Raad, zou dat mogelijk moeten worden gemaakt.”

Zijn veel zaken technisch niet zo ingewikkeld geworden dat je ook van een rechter geen geïnformeerd oordeel meer kan vragen?

„Van wie anders zou je het willen vragen? Je kunt nooit iemand krijgen die ten naaste bij die technische kennis heeft die je op al die gebieden zou moeten ontwikkelen. Rechters moeten zo opgeleid worden dat ze genoeg weten om de goeie vragen te stellen. ”

U zegt niet: voortaan tien procent Delftse ingenieurs?

„Nee, dan zou je ook tien procent medici moeten hebben. En beursdeskundigen. En deskundigen in steigerbouw in energiecentrales. ”

Juicht u de ontwikkeling naar strengere straffen toe?

„Nee. Nee. Ik ben van een andere generatie. Ik heb altijd gedacht dat we humaan moeten blijven. En: met strafrecht red je het niet. Dat louter repressief optreden helpt, is ver van mij. De gevangenissen in de VS en in het Verenigd Koninkrijk zitten hartstikke vol. Ja, wat moet je dan? De mensen beter opvoeden en beter begeleiden. Dat type idealisme dus.”

Maar als strafrechter bent u meegegaan in de repressie.

„Natuurlijk. Zoals je in totaliteit meegaat met wat er in een samenleving speelt. Nederlandse rechters die naar de Antillen gaan passen zich ook vrij makkelijk aan de veel hogere strafmaat daar aan. Ik zou mijn Nederlandse principes op de Antillen ook niet hebben. Dan word je als een watje weggezet.”

Bent u weleens in de knel gekomen tussen uw geweten en uw plicht als rechter.

„Nee. Wat ik wel jammer vind is dat je nooit weet wat er gebeurt met zaken die je berecht hebt. Ik heb ooit een zaak gehad met ontspoorde studenten die een overval pleegden met een nepwapen. Ik heb uit overtuiging meegewerkt aan de laagst denkbare straf. Ik geloofde dat ze van de dwaling huns weegs zouden terugkomen. Maar ik weet het niet.”

Volgen rechters voldoende hun eigen koers?

„Ik hoop van wel. Maar ik durf er niet m’n hand voor in het vuur te steken. Ik heb ooit een meervoudige Kamer in Den Haag meegemaakt, die heel tevreden naar buiten kwam en zei ‘nou, in totaal 25 jaar opgelegd vandaag’! Daar zit iets triomfantelijks in – ‘flink gestraft vandaag’. Dat gevoel hoor je niet te hebben als rechter. Je moet niet voorop gaan lopen. Geen flinkheid, alsjeblieft.”

Gelooft u in straf?

„Uit onderzoek blijkt dat als je vijf jaar hebt gezeten het besef verdwijnt over wat je hebt gedaan. Eigenlijk zijn straffen langer dan 5 jaar redelijk zinloos. Maar als rechter moet je desondanks twintig jaar op kunnen leggen. Ook ik krijg het niet uitgelegd om na een afschuwelijke huurmoord of verkrachting maar vijf jaar te geven omdat het daarna niet meer helpt. Straf behoort ook in bepaalde gevallen vergelding te omvatten. Zo min mogelijk, dat wel. Je moet zoveel mogelijk bedenken welk effect straf heeft.”

Is de gevangenis nu zwaarder dan vroeger?

„Dat weet ik niet. Ik kom nooit in gevangenissen.”

U weet dus ook wat dat betreft niet wat er na uw vonnis gebeurt?

„Je bent betrekkelijk geïsoleerd, ja. Je kunt niet overal zijn. Rechters zitten achter bureaus en delen tot op zekere hoogte schokken uit. Net als in dat psychologische experiment waarin proefpersonen aan anderen zogenaamd echte elektrische schokken toebrengen. En dan wordt er gekeken hoe ver men bereid is te gaan. Rechters moeten zich daar pijnlijk bewust van zijn. Ze oordelen vanuit een comfortabele positie over wat die figuur niet goed heeft gedaan. Je kunt niet overlopen van compassie. Je hebt professionele distantie nodig.”

Maar moet een rechter dan niet één keer 24 uur in een cel hebben gezeten?

„Misschien. Ik weet het niet. Ach, zullen rechters zeggen, ik neem wel een boek mee. Ik overleef dat wel.”

Dus die rechter is goed af in z’n zaaltje waar de mensen binnenkomen en weer naar buiten gaan. En dan...

„...is het gevangenis of vrijspraak. Of een faillissement. Of je krijgt je kinderen niet mee. Of je mag niet met je moeder mee. Rechters zitten er natuurlijk mee. Maar ze moeten er niet mee blijven zitten.”

Zou de kwaliteit van een vonnis niet verbeteren als de rechter inzicht had in het effect van z’n werk.

„Dat ligt zo voor de hand, maar hoe krijgt hij dat inzicht. Wat is dat effect dan, hoe ga je dat meten. Hoe ga je dat bekijken.... iedereen is uit op effectieve interventie. Maar niemand weet precies wat dat is. Die rechter ook niet. Maar die moet wel wat. Je kunt niet zeggen: weliswaar is het nu de derde keer dat-ie het gedaan heeft. Maar ik geloof nu dat-ie echt het licht gezien heeft. Dus die stuur ik naar huis: in plaats van drie jaar krijgt u drie weken. Je zit ook vast aan maatschappelijke opvattingen, niet alleen aan wetenschappelijke.”