De stille droefheid van een winkeldief

Wie staat er voor de rechter en waarom? Een meisje stal kleding bij de Bijenkorf. Ze hadden haar door. De rechter is er blij om.

Soms, heel soms, krijg je in de rechtszaal een glimp te zien van het drama achter het delict. Een meisje op Nike-gympen loopt onhoorbaar de rechtszaal in Amsterdam in. Ze lijkt veel jonger dan de 19 jaar die ze is. Jannetje heet ze en ze lijkt zich onzichtbaar te willen maken. Het lukt bijna. Zoekend kijkt ze rond. Waar moet ze zitten? Helemaal vooraan. Wie helpt haar? Niemand.

Op 28 september werd Jannetje bij de voordeur van de Bijenkorf gepakt met zeven gestolen kledingstukken. De rechter kijkt haar streng aan als hij wacht op haar antwoord op de vraag of dat waar is. Haar antwoord is zacht en simpel. „Klopt.” De rechter blijft nog even schoolmeester: „Waarom.” Nou, fluistert het meisje, mijn vriendinnetje had nieuwe kleren. En dat wou ik ook.

Was het dan niet veel logischer geweest, zegt de rechter, als ze het geld voor nieuwe kleren bij elkaar had gespaard? Ja, zegt Jannetje, dat was het slimste geweest. Maar ik heb het niet gedaan. Want, vult de rechter voor haar in, u had acuut behoefte aan iets nieuws. En: uw vriendinnetje had de boel ook bij elkaar gestolen en u dacht: als zij het kan, kan ik het ook.

Deemoedig knikt het meisje. Precies, zo was het. Maar, zegt de rechter, ze hadden u in het snotje. Alsof hij er bij was, zo tekent hij het tafereel. U kwam binnen, pakte wat kleren uit de rekken, ging met zeven stuks de kleedkamer in, verwijderde de labels en de prijskaartjes, en kwam er met één stuk weer uit. De rest zat in haar tas. Maar wat u niet wist, is dat het personeel de kledingstukken telt.

Jannetje kreeg een boete aangeboden, van 460 euro. Dat was even slikken zeker? Ja, nogal, zegt het meisje. Ze wist echt niet dat stelen zo duur kon zijn. Nou, zegt de rechter, dat valt nogal mee. Want u was 538 euro wijzer geworden aan kleren als u de buit had binnengehaald. Met deze boete is ze nog goedkoper uit. Ze zit hier voor de rechter, omdat ze de boete niet kon betalen.

U zorgt voor uw moeder, vraagt de rechter ineens. Ja, zegt Jannetje. Haar moeder is opgegeven. Hoe lang ze voor haar zorgt? Twee jaartjes. En ze ligt op sterven sinds...? Sinds ze uit het ziekenhuis werd ontslagen. Eens kijken: twee maandjes geleden. Ze mocht naar huis, zegt Jannetje, om daar te kunnen sterven. Voor haar ligt een envelop met daarin een brief van de dokter. Maar de rechter heeft geen bewijs nodig van Jannetjes drama.

Jannetje is gestopt met haar opleiding om haar moeder 24 uur per dag te kunnen verzorgen. En uw broer zorgt voor de inkomsten, vraagt de rechter. Nee, zegt Jannetje. Mijn broer is weggegaan.

Geen woord te veel, geen traan, geen emotie in haar stem. Tegen zoveel stille droefheid is ook de rechter niet bestand. Vragen naar het waarom van haar misère heeft, weet hij, weinig zin. Hij kan het toch niet oplossen. Dus vraagt hij maar of ze geld heeft om van te leven. Zo lang haar moeder nog leeft, zegt Jannetje, leeft ze van haar moeders uitkering. Voor werken heeft ze geen tijd.

Maar, zegt ze, ‘ze’ zijn wel bezig met een uitkering voor haarzelf zodra haar moeder is gestorven. Ze zoeken ook alvast naar een baan voor haar. „Zodat ik na de dood van mijn moeder een beetje in veilige armen beland.”

Wat moet er met Jannetje gebeuren? Een boete? Dat kan ze niet betalen. Een werkstraf? Geen tijd voor. Een leerstraf dan? Nee, vindt de rechter. Jannetje draait er niet omheen, dus een cursus stelen-mag-niet heeft weinig zin.

De rechter kiest voor de zachtste straf. Een boete op de plank. Een voorwaardelijke boete van 460 euro, alleen te betalen als ze nog een keer iets pikt. Want dat wil hij nog wel even gezegd hebben: stelen is min. Alle klanten van de Bijenkorf betalen meer, omdat er zo veel gejat wordt.

Hij is blij, zegt hij, dat Jannetje bij de eerste verkeerde stap gepakt is. Want nu kan hij tegen haar zeggen dat ze nooit meer zulke risico’s moet nemen. Want als hij het niet doet, wie dan wel?