De stelling van Erik Wesselius: Lobbyisten in Brussel moeten eerlijker zijn in wat ze doen

Wat lobbyisten doen in Brussel, blijft in het schemerduister. Daar moet snel wat aan gebeuren, zegt Europa-activist Erik Wesselius tegen Marc Leijendekker. Neem de regels uit de VS tot voorbeeld.

Erik Wesselius werkt bij het Corporate Europe Obseratory, een onderzoeks- en actiegroep die zich richt op de economische en politieke macht van grote ondernemingen. (Foto’s Freddy Rikken) Rikken, Freddy

U heeft eerder deze maand de prijs uitgereikt voor de slechtste Europese lobby. Die is gegaan naar Duitse automakers, omdat ze erin zijn geslaagd plannen van de Europese Commissie om de CO2-uitstoot te verminderen, af te zwakken. Die prijs was voor u ook een manier om aandacht te vragen voor de lobby’s in Brussel, volgens u een schemergebied en een probleem voor het democratische gehalte van de Unie.

„Ja. We weten niet eens precies wat er allemaal gebeurt. Kijk alleen eens naar de aantallen. Volgens onze schatting, en de Europese Commissie gebruikt hetzelfde cijfer, zijn er ongeveer 15.000 lobbyisten in Brussel. Dat zijn vijf keer zoveel mensen als het hele Europese parlement met alle medewerkers bij elkaar. De Europese Commissie heeft een totale staf van 25.000 man. Zet daar die 15.000 lobbyisten tegenover en je hebt toch hele rare verhoudingen.”

Daar loopt toch van alles door elkaar: bedrijfsleven, vakbonden, overheid?

„Van die 15.000 lobbyisten werkt grofweg tweederde voor het bedrijfsleven. Daarbij gaat het om beroepsorganisaties, brancheorganisaties, grote bedrijven met een eigen kantoor in Brussel, en grote lobbyfirma’s als Burson-Marsteller en Hill & Knowlton. Ongeveer twintig procent lobbyt voor een overheid, denk daarbij aan de Nederlandse grote steden, aan de Duitse Bundesländer. Dan blijft er grofweg tien procent over, en dat zijn ngo’s als milieuorganisaties, vakbonden en dergelijke.”

Prachtig toch? Je kunt dit zien als een vorm van nieuwe politiek. Beleidsmakers beslissen niet op basis van dikke rapporten, maar op basis van directe input uit de samenleving, vanuit de praktijk.

„Zo gesteld zou lobbyen een positief effect kunnen hebben. Als je er maar de goede randvoorwaarden voor stelt. Die ontbreken nu. Om te beginnen: welke middelen hebben de diverse belangen tot hun beschikking? Daar zie je enorm scheve verhoudingen, en dan wordt het een risico als je besluit alles over te laten aan het vrije spel. Professor Van Schendelen heeft er terecht op gewezen dat je veel voor elkaar kunt krijgen in Brussel als je maar goed lobbyt. Dat geldt voor een bedrijf net zo goed als voor een milieuorganisatie. Maar het is wel een stuk makkelijker wanneer je zeg maar tien miljoen tot je beschikking hebt, dan wanneer je 100.000 euro hebt, of 500.000. Dat schept heel andere mogelijkheden. De Europese auto-industrie heeft bijvoorbeeld ongeveer zeventig mensen in Brussel wier hoofdtaak het is leden van de Europese Commissie te belobbyen. Een van de belangrijkste problemen is dat dit soort informatie eigenlijk nauwelijks beschikbaar is. Daarom pleiten wij voor veel meer transparantie en voor een gedragscode.”

Wat weten we allemaal nog niet?

„We weten niet precies hoeveel mensen er lobbyen, om hoeveel geld het gaat. Wie lobbyt er precies, en voor wie? Ik hoef helemaal niet te weten hoe individuele contracten eruitzien. Maar het is bijvoorbeeld wel van belang te weten hoeveel geld de chemische industrie besteedt aan een bepaald dossier. Of om trends te kunnen onderzoeken. Wat betekent het als een bepaalde bedrijfstak op een zeker moment zijn lobby-uitgaven enorm verhoogt? Hangt dat samen met een onderwerp dat in Brussel speelt? Het is heel belangrijk dat beleidsmakers zich bewust worden van de ongelijkheid in het speelveld als het gaat om de beschikbare middelen. Door dat soort harde gegevens kunnen mensen in de Europese Commissie en in het Europese Parlement zich er ook beter van bewust zijn dat als zij twintig telefoontjes van één kant krijgen en vijf van de andere kant, dat niet betekent dat de kant met de twintig telefoontjes ook het sterkste argument heeft.

„Nog een voorbeeld van het belang van transparantie: je ziet vaak dat lobbyfirma’s voor hun klanten façade-organisaties opzetten. Neem een farmaceutisch bedrijf. Dat kan via via een website opzetten die pretendeert namens een hele groep belanghebbenden te spreken en daarbij ook verwijzen naar patiëntengroepen. Maar daarbij wordt nooit uitgelegd welke groepen dat dan zijn. Het is een veelgebruikte tactiek. Je maakt gebruik van ogenschijnlijk neutrale organisaties om je in het debat te mengen. Maar uiteindelijk wordt dat dan allemaal betaald door het bedrijf dat er belang bij heeft.”

Daarbij verwijst u vaak naar de regels in de Verenigde Staten.

„Daar is alles veel opener. Er is een verplicht register van lobbyisten, en de uitgaven zijn openbaar – al weet je dan natuurlijk nog niet alles. Maar we weten dat in Washington ongeveer 35.000 lobbyisten rondlopen en dat de omzet vorig jaar 2,64 miljard dollar was; het is daar trouwens enorm toegenomen, want de lobby-uitgaven in de VS zijn de afgelopen tien jaar verdubbeld. Washington is daarbij nog wel een schaal groter dan Brussel. De Europese Commissie schat dat met lobbyen in Brussel tussen de 60 en 90 miljoen euro is gemoeid. Dat is geen realistisch bedrag. Het gaat eerder om tussen de 750 en 1000 miljoen.”

Nu heeft Brussel niet zo’n bureaucratisch apparaat als veel nationale overheden. Het beleid wordt vaak voorbereid in zogeheten expertgroepen, waarvan allerlei deskundigen uit de praktijk deel kunnen uitmaken. Dat lijkt een open deur voor lobbyisten.

„Op dat gebied is al flink wat vooruitgang geboekt. Een paar jaren geleden was vaak niet goed duidelijk wat voor expertgroepen er eigenlijk waren. Dat gaat nu stapje voor stapje de goede kant op. Waar het nu om gaat, is een beter gebalanceerde samenstelling van die expertgroepen te krijgen. Veel ervan zijn eenzijdig samengesteld. In een adviesgroep die het Europese beleid voor biobrandstoffen moest uitzetten, zaten bijvoorbeeld vooral bedrijven uit de auto-industrie, de olie, de biotech, de chemische industrie, en een aantal academici die er direct belang bij hebben dat er geld komt voor deze sector. Geen wonder dat je dan een heel ambitieuze agenda krijgt – daarom heeft de OESO die ambities ook bekritiseerd. Als je de input voor beleidsvorming niet van diverse kanten laat komen, is dat een groot risico voor de kwaliteit van het beleid.”

Andere organisaties kunnen toch gewoon aanschuiven?

„De praktijk is ingewikkelder. Dan moet wel transparant zijn dat zo’n expertgroep is gevormd. Vaak weet je dat niet. Op Brusselse lobbycursussen krijgen mensen uit het bedrijfsleven het advies: zorg dat je aan de Commissie voorstelt dat er een expertgroep wordt gevormd. Als het meezit, kun je daar dan een centrale rol in gaan spelen. Wat er zou moeten gebeuren is dat de Commissie de vorming van een expertgroep in een vroeg stadium bekendmaakt en een breed scala van deelnemers uitnodigt daarvoor. Maar ngo’s blijven natuurlijk met een capaciteitsprobleem zitten. Deelname aan een groep is heel arbeidsintensief. Voor een bedrijf is het vaak een investering. Voor een ngo geldt dat zij een bepaald budget heeft en het daarbinnen moet doen.”

U heeft ook kritiek op de draaideuren in Brussel.

„Je ziet vaak dat hoge commissie-ambtenaren bij het bedrijfsleven gaan werken. Op zich is dat prima, maar het wordt lastig als iemand die een netwerk heeft in de commissie overstapt naar een lobbyfirma en gaat werken op hetzelfde terrein als waar zijn expertise ligt. Voor de eurocommissarissen zijn de regels op dat gebied al verbeterd sinds de commissie-Santer, waaruit eurocommissaris Bangemann verdween naar Telefónica en ook een aantal andere eurocommissarissen hoge functies bij het bedrijfsleven heeft aangenomen waarbij je op z’n minst vraagtekens kunt zetten. Maar voor hoge ambtenaren zijn de regels nog niet zo strikt. Je zou op z’n minst een afkoelingsperiode moeten hebben van een jaar of twee.”

Bent u euroscepticus?

„Ik ben pro-Europeaan. Maar ik heb wel kritiek op de sterke nadruk op het economische van de huidige Europese Unie. En ik word altijd boos als mensen onethische dingen doen puur om geld te verdienen: verkeerde informatie geven, mist creëren. Lobbyen? Prima, maar doe het dan wel op een nette manier. Met open vizier.”