De smalle marges van Bos’ socialisme

Redacteur NRC Handelsblad

Wouter Bos is tien maanden minister van Financiën en vicepremier in het vierde kabinet-Balkenende. Nu het bijna twintig jaar geleden is dat Joop den Uyl stierf, lijkt het moment gepast voor een eerste vergelijking. Andere tijden, andere sociaal-democratie. Maar staat Wouter Bos wel in de traditie van de roemruchte roerganger van het ‘kabbenet-Den Uyl’?

In Vrij Nederland van deze week inventariseert Marcel ten Hooven de erfenis van Den Uyl. In dat verhaal herinnert Hans Wiegel, destijds zijn grote tegenspeler, zich hoe Den Uyl mensen kon begeesteren. ,,Hij heeft de politiek in hun hart laten leven. Hij zette zich voluit in voor wat hem dierbaar was en maakte dat ook goed zichtbaar. De mensen hadden een duidelijke keuze. Je was voor of tegen hem en voor of tegen mij. We hebben veel aan elkaar gehad.”

In het jongste nummer van Socialisme & Democratie, het blad van de Wiardi Beckman Stichting (PvdA), zoeken Kamerlid Paul Kalma en waarnemend WBS-directeur Frans Becker naar de voor nu bruikbare kern van Den Uyls idealen. Zij missen Den Uyls inspiratie, zijn leergierige, strijdbare speurtocht naar een nieuw sociaal-democratisch voorland. Uyliaanse sleutelbegrippen: vrijheid, gelijkwaardigheid, democratisering en de kwaliteit van het bestaan. Dat alles in het besef dat pacteren met de duivel nodig is in polderland (De smalle marge van democratische politiek, 1970).

Het leest als kritiek en een kompas voor de huidige partijleider. Wouter Bos, die de PvdA in 2003 redde uit de electorale puinhopen van Paars, schetste in zijn boek Dit land kan zo veel beter (2005) zijn levensverhaal en zijn politieke visie. Op die verbale zeepkist riep hij partijgenoten en kiezers op de handen ineen te slaan, geen genoegen te nemen met een nieuwe onderklasse, met de lompheid van de markt.

Hij wees er in zijn boek op dat de overheid geen bedrijf is en dat ‘de terugtredende overheid’ in veel gevallen een illusie is. Hij pleitte voor erkenning van lotsverbondenheid in eigen land, zonder de boze buitenwereld met lage lonen en vreemde culturen te willen buitensluiten. Bos maakte er geen geheim van: het pad voor de nieuwe sociaal-democratie zou smal zijn, als het al werd gevonden.

Volgden de teleurstellende verkiezingen van najaar 2006. Wat Bos zag als positieve eerlijkheid werd door CDA-leider Balkenende (op advies van aanstaand staatssecretaris van defensie Jack de Vries) gebrandmerkt als ‘liegen en draaien’. Langs de socialistische meetlat van Jan Marijnissen oogde het Bossocialisme als een verwassen en gekrompen versie. De harde kern van de vakbeweging stemde SP.

Toch ‘nam’ Bos ‘zijn verantwoordelijkheid’ toen zijn ex-rivaal hem noodde. Hij sloot een coalitie met CDA en Christenunie. En nam zelf plaats in dat kabinet, op verzoek van Balkenende en zijn achterban, maar ook uit vrije wil. Bos liet de onervaren fractie over aan een loyale, maar parlementair ongeschoolde leider omdat hij meende dat het echte spel in het kabinet wordt gespeeld. Daar zou hij de nieuwe sociaal-democratie gestalte geven. Als competent minister van Financiën zou hij de mensen tonen dat het loont als de PvdA meeregeert.

In de Kamer had hij de visie van de zich vernieuwende partij kunnen kneden en uitdragen. Als minister moet hij kabinetscompromissen uitdragen. Dat hoort bij democratie, zegt hij steeds. Maar het bemoeilijkt de marketing van een hernieuwde beweging. Door ook nog eens het departement van de knikkers te kiezen, moet Bos regelmatig boven de partijen staan en z’n eigen eisen van een half jaar terug wegstrepen tegen wat de overkant dierbaar is. Bovendien werd hij de minister van het bankwezen.

Al snel werd Bos de minister die moest goed- of afkeuren dat de financiële wolven ‘onze’ grootste bank aan stukken wilden rijten. En wat vond hij van de tonnen die bestuurders van ex-overheidsinstellingen en miljoenen die bedrijfsdirecteuren zichzelf toeschuiven. Kan het zo maar dat snelle jongens uit New York en de City of London, die nog nooit van Den Uyl hebben gehoord, bedrijven als VNU, V&D, Stork en PCM leegroven en de brokken terugwerpen in de Hollandse tribune?

In dit eerste jaar heeft Bos zijn stem moeten vinden in het debat over het junglekapitalisme. Nog steeds lijkt hij vooral volgens de regels te willen optreden. Ook al zijn die regels gemaakt in een tijd waarin zelfverrijking nog niet zulke innovatieve vormen had aangenomen. Fact based in plaats van moreel verontwaardigd zoekt hij erkenning van de haute finance. Maar dat overtuigde niet met een beperkte literatuurstudie van de Erasmus-universiteit naar de rol van private equity.

Als Bos en De Nederlandsche Bank-directeur Wellink, met steun van premier Balkenende, voor ABN Amro waren gaan liggen toen het nog kon, was veel meer bancaire en verwante deskundigheid voor het land bewaard gebleven dan met weer een Stichting Hup Amsterdam kan worden bereikt. In zijn optreden als bankenminister draagt Bos een virtuele krijtstreep die voor lezers van Dit land kan zo veel beter als een verrassing komt.

In CDA-ogen was de eerste begroting van Balkenende IV uiterst links. Reden om daar achteraf met succes aan te tornen. De beperking van de pensioenaftrek voor hoge inkomsten sneuvelde; voor Bos een zegen in vermomming want het was technisch geen goed uitgedacht plan. De ‘linkse’ greep in de kas van de woningbouwcorporaties laat zien hoe lastig goede bedoelingen snel zijn om te zetten in daden. De corporaties met hun publieke taak hadden misschien nooit geprivatiseerd moeten worden, maar hen nu aanspreken op hun publieke verantwoordelijkheid én vennootschapsbelasting gaan heffen is inconsequent en ondermijnt aanwezige goodwill.

Op zoek naar een modern sociaal-democratisch beleid vond Bos een duidelijker stem toen hij eerst het gedram van de Schiphol-directie voor privatisering afkapte en dat later onderbouwde met een aangepaste nota over overheidsdeelnemingen. Taken die des overheids zijn, worden door bedrijven die (in meerderheid) in overheidshanden zijn publiek uitgeoefend. Het is een breuk met het marktdogmatisme van de laatste tien jaar. Wat nog ontbreekt is het verbindende verhaal. Ook nu al zouden de provinciebesturen er een voorbeeld aan kunnen nemen bij het beheer van hun belangen in de elektriciteitsbedrijven.

opklaringen@nrc.nl