Ark vol apen

Door het isolement volgde het leven op Madagaskar een uniek evolutionair pad. Maar de natuur wordt bedreigd. Op zoek naar de halfapen van het eiland.

Beng! Er valt iets uit de lucht op de ontbijttafel. Het botervlootje vliegt de lucht in en een bord balanceert op de tafelrand. Twee brutale apenoogjes kijken rond. Dan graaien vier zwarte vingertjes in de marmelade, en weg is de dief. Als uit een katapult schiet hij omhoog, terug naar het openstaande raam waar hij zich af had laten vallen. Daar wacht zijn vriendinnetje.

Dit waren ringstaartmaki’s. Ze behoren tot de lemuren, een groep van halfapen die alleen op Madagaskar voorkomt, met in totaal minstens vijftig soorten. Minstens, want alleen al vorig jaar zijn er nog drie nieuw soorten ontdekt. De ringstaartmaki’s komen van nature voor in de droge savanne van Midden- en West-Madagaskar. Maar ook daarbuiten kom je ze tegen, zittend op de schouder van een kind of aan een ketting bij de voordeur. Want ze zijn populair als huisdier.

Madagaskar is een eiland. Ongeveer 150 miljoen jaar geleden raakte het tijdens het uiteendrijven van de grote continenten geïsoleerd. Het leven op het eiland volgde een uniek evolutionair pad, dat onder andere leidde naar enorme schildpadden, de drie meter hoge olifantvogel en de lemuren. Pas rond het begin van onze jaartelling arriveerden de eerste mensen. Zij troffen een vrijwel aaneengesloten jungle aan, zij het dat deze overal anders was. Aan de oostkust een dicht, donker regenwoud, behangen met orchideeën en lianen, in de drogere zuidwestelijke delen een half open bos dat zich met stekels en doornen wapent tegen zowel uitdroging als vretende dieren.

Nu resteert nog slechts een kleine tien procent van Madagaskars natuurlijke begroeiing, en het wordt elk jaar minder. Madagaskar is arm. Een deel van de bevolking leeft nog van zwerflandbouw en brandt daarvoor regelmatig een stuk bos af. Dankzij de mineralen in de as kunnen er enkele jaren rijst, bananen of cassave geteeld worden. Dan is de bodem uitgeput, en is een volgend stuk bos aan de beurt. Daarnaast is voor veel mensen de verkoop van houtskool de enige manier om wat aan het schamele inkomen toe te voegen. Want in de steden wordt nog op open vuur gekookt. Wat onder biologen bekend staat als een Ark van Noach, gaat zo voor een habbekrats in rook op.

Diverse natuurbeschermingsorganisaties vechten om het tij te keren, de Amerikaanse organisatie Conservation International voorop. Een gevecht tegen de bierkaai, zo lijkt het voor wie rondreizend door Madagaskar de rokende bossen ziet. Maar Frank Hawkins, van Conservation International, is redelijk optimistisch: „Het jaarlijkse verlies aan bos is nog maar een fractie van wat het was in de jaren negentig. En dat is grotendeels te danken aan het regeringsbeleid.” De regering van Mark Ravolomanana wil het beschermde gebied op korte termijn verdriedubbelen tot 6000 vierkante kilometer, ofwel tien procent van het landoppervlak. Dat is relatief makkelijk te realiseren omdat vrijwel alle bos staatseigendom is. „Maar bescherming alleen is niet de oplossing. Belangrijker nog is het bieden van alternatieve inkomstenbronnen aan de lokale bevolking.” Bij voorkeur is dat de natuur zelf, zegt Hawkins, want als de mensen daarvan afhankelijk zijn, zullen ze deze ook beschermen. En dan denkt hij met name aan ecotoerisme.

Het zo ruw verstoorde ontbijt vond plaats in Ranohira, een dorp in Zuid-Madagaskar. Het is de uitvalsbasis voor het Isalo National Park. Een park dat erom bekend staat dat de lokale bevolking betrokken wordt bij het beheer. ANGAP, het Malagassische ‘Staatsbosbeheer’ heeft ter plaatse een vijftigtal natuurgidsen gerekruteerd.

Isalo National Park is 815 vierkante kilometer groot. Om een beetje zicht te krijgen op dit park moet je al gauw drie dagen lopen. Het worden er vier. Het reisgezelschap trekt onder leiding van gids Michel het park in. Twee neven van Michel gaan mee als dragers. Michel loopt fluitend vooruit. Van het loon dat hij voor deze trekking gaat krijgen, kan zijn gezin drie weken leven, als ze zuinig zijn.

Michel en zijn neven behoren tot de Bara, een volk dat vanouds met zijn vee, vooral zeboes, over de golvende savanne trekt. De vaak enorme kuddes van de Bara zijn een klein fortuin waard, vertelt Michel. Toch leven deze mensen in een soort zelf opgelegde armoede. Want het vee is er vooral voor status, én voor het hiernamaals. Een Bara zonder vee is niemand, zegt hij, en de kudde kan niet groot genoeg zijn. De koeien worden zelden verkocht. En als de familie-oudste sterft, gaat de hele kudde mee het graf in, als reisgeld en proviand voor het leven na de dood. De Bara kennen, zoals de meeste Malagassiërs, een sterke voorouderverering. De cultuur van de Bara levert nauwelijks welvaart op in het heden, maar betekent wel een grote aanslag op de natuur. Want de Bara zijn voortdurend bezig de graslanden te ‘verbeteren’ voor hun vee. En dat betekent: afbranden. Zo gaat veel bos verloren, met de daarbij horende planten en dieren.

De eerste dag is een lange wandeling door een gebied van beboste kloven. Nieuwsgierige Verreaux’s sifaka’s kijken de bezoekers vanuit de boomtoppen na. Deze lemurensoort heeft de vreemde gewoonte om opgericht te lopen als een mens, maar dan zijwaarts. Een koddig gezicht. ’s Avonds wordt gekampeerd onder een grote mangoboom op de oever van een beekje. Felgekleurde ijsvogels schieten over het water en vlinders zo groot als mussen fladderen rond de tent. Op de tweede dag worden spectaculaire, Grand Canyon-achtige rotsformaties doorkruist en volgt de beklimming van een 1100 m hoge bergpas. Michel zoekt zelfverzekerd zijn weg, maar van een pad is nauwelijks sprake, laat staan van markeringen. De pas geeft toegang tot een geheel ander landschap, een eindeloze, golvend gele savanne met hier en daar een boom. Dit zou Kenia of Tanzania kunnen zijn, en in het hoge gras zou elk moment de kop van een leeuw of jachtluipaard kunnen opduiken. Maar naar de Afrikaanse big five speur je hier vergeefs. Het grootste roofdier van Madagaskar, de fretkat of fossa, heeft het formaat van een flinke Cocker Spaniel, en laat zich zelden zien.

Drie, vier uur moet er door het hoge gras worden gesjouwd. Al die tijd van water geen spoor, laat staan van de beek die Michel voor vanavond heeft beloofd. De zon hangt al dreigend laag als in de verte een donkergroene vlek opduikt. Het blijkt een rij Pandanuspalmen, die boven de rand van een smalle kloof uitsteekt. Aan de voet van hun stammen kabbelt een minuscule beek. Ook hier weer apen: in de palmtoppen kijkt een drietal ringstaartmaki’s nieuwsgierig toe terwijl de tenten aan de rand van het kloofje worden opgezet. Deze zijn wild, en schuw volgens Michel. Voor de zekerheid blijven de tenten hermetisch gesloten.

De dragers trekken bivakmutsen over hun hoofd en maken een kampvuur. Geen overbodige luxe, want terwijl de laatste zonnestralen de vandaag bedwongen bergketen geelrood laten opgloeien, zakt een koelblauwe nevel over de savanne. Michel haalt tomaten, paprika, rijst en een blikje tonijn tevoorschijn. Als de olie spettert, gaat er eerst een handje vers geplukte wilde pepers in. Ook dat helpt tegen de kou.

Langs een andere route volgt de terugweg naar Ranohira, via de Piscine Naturelle en de Cascade du Nimfes. Poëtische namen die hoge verwachtingen wekken, en dat ook waarmaken. Verstopt tussen de rauwe kalksteenmassieven blijken klaterende watervallen en een kristalhelder meertje te liggen. Maar langs de weg daarnaartoe staan regelmatig verkoolde struiken. Het werk van Bara? Ja, zegt Michel. Uiteraard is branden in het park verboden, legt hij uit, maar oude gewoonten sterven langzaam. „Het was tien jaar geleden veel erger.” Tegenwoordig laten de natuurbeheerders van ANGAP niet alleen de gidsen meeprofiteren van de inkomsten die het park oplevert. Driekwart van de entreegelden wordt afgedragen aan de dorpsbewoners, vertelt Michel. Niet in de vorm van vage projecten, maar contant. „Elk half jaar krijgt de dorpsoudste een zak met geld die hij op het dorpsplein eerlijk moet verdelen.” Dat is een boodschap die overkomt. En daarom komt het wel goed met Isalo, denkt Michel.