Vier stappen naar vrede Darfur

Het is de hoogste tijd voor een nieuwe internationale strategie in Darfur, vindt Marianne Nolte.

De internationale gemeenschap heeft met veel aandacht, inzet en middelen op het conflict in Darfur gereageerd. De vraag is waarom al die investeringen in het geheel niet geholpen hebben om het conflict te beëindigen. Het antwoord is simpel: we hebben geprobeerd van buitenaf een vredesakkoord op te stellen en dit aan het gebied op te leggen, en dat beleid heeft gefaald.

Nu dat mislukte beleid is erkend, moet de internationale gemeenschap proberen het probleem radicaal anders te benaderen en het wordt hoog tijd dat we hier werk van maken. Deze nieuwe benadering vereist dat we veel directer met de strijdende partijen samenwerken en hen stimuleren om zelf een duurzame oplossing te zoeken.

Zo’n benadering zal geen snelle oplossing voortbrengen, dat is in het geval van Darfur niet mogelijk. De leidende figuren in deze, binnen de Verenigde Naties en de westerse regeringen, dienen te erkennen dat eerdere oproepen als ‘vrede voor het einde van het jaar’ en ‘vrede binnen zes maanden’ niet helpen en betekenisloos zijn voor de partijen die erbij betrokken zijn. Het Darfur-conflict heeft complexe historische, politieke, economische en sociale oorzaken en het oplossen daarvan vergt zoveel tijd als daarvoor nodig is.

Over het algemeen wordt gedacht dat het conflict in Darfur is begonnen in 2003, op het moment dat het voor het eerst de aandacht van westerse media trok. Maar de oorsprong van het conflict gaat veel verder terug, tot halverwege de jaren negentig, toen ontevreden jongeren van verschillende stammen bijeenkwamen en rebellengroepen tegen de regering in Khartoum vormden. Deze groepen gingen in 2003 deels samen en vormden een grotere, sterkere strijdmacht tegen het bewind in Khartoum, waarop de gevechten menens werden.

In mei 2006 ondertekende één van de grote rebellengroepen, de SLA-MM (de fractie van het Soedanese Bevrijdingsleger geleid door Minni Minawi) het Vredesakkoord van Darfur (DPA) met de regering in Khartoum. Dit akkoord was de rebellen tijdens vredesbesprekingen in Abuja door de internationale gemeenschap opgelegd. Sindsdien is het conflict geen moment geluwd. Integendeel, nieuwe ontevreden groepen mengen zich in de gevechten.

In het verleden bestonden de rebellenbewegingen vooral uit leden van Afrikaanse stammen, maar inmiddels verzetten ook steeds meer Arabieren zich tegen de regering. Jonge Arabische studenten mobiliseren hun stamgenoten, voormalige zogenoemde Janjaweed-strijders die ontevreden en boos zijn omdat de regering hun geen soldij of compensatie meer betaalt.

Met de recente opkomst van deze Arabische rebellengroepen zal de dynamiek van het conflict in Darfur veranderen en is een verdere escalatie van het geweld te verwachten. De eerste tekenen hiervan waren te zien op 30 november, toen de regering Arabische kampen in de buurt van Nyala bombardeerde, waarbij burgerdoden vielen.

In juli stemde de VN-Veiligheidsraad in met de inzet in Darfur van een 26.000 man sterke gezamenlijke strijdmacht van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie, maar tot nog toe heeft de Soedanese regering de legering daarvan gedwarsboomd. Zoals een commentator stelde: „De internationale gemeenschap roept wel hard over Darfur maar heeft nauwelijks een stok achter de deur.” In Europa is veel over sancties gesproken maar het is er niet van gekomen, terwijl vredesbesprekingen in Libië met rebellen die het vredesakkoord niet hadden ondertekend – onder leiding van de VN en de AU – zijn vastgelopen.

Toch zou het vredesproces met enkele vrij eenvoudige, goedkope maatregelen op gang te brengen zijn.

Ten eerste dienen alle onderhandelingen plaats te vinden in Darfur, niet in een van de buurlanden, want die zijn in verschillende mate allemaal partij in de oorlog in Darfur. Dit zou het dubbele voordeel hebben dat er minder afleiding van buiten is en dat rechtstreeks overleg met de achterban van de bewegingen en de burgerbevolking kan plaatsvinden. Dat dit mogelijk is, bleek in 2005, toen de VS de voornaamste rebellenleiders van de diep verdeelde SLA allemaal bijeen bracht op de basis van de Afrikaanse Unie in El Fashir.

Ten tweede moet het hele proces vereenvoudigd worden. Op het ogenblik halen de AU/VN steeds meer partijen, zoals vrouwengroepen en lokale ngo’s, naar de onderhandelingstafel. Daarmee wordt de aandacht van de hoofdzaken afgeleid en worden de besprekingen onhandelbaar. Bemiddelingspogingen dienen zich te richten op die rebellenbewegingen die actieve troepen ter plaatse hebben.

Ten derde zijn de rebellen vaak niet zo goed opgeleid, zeer wantrouwend en niet in staat hun eisen te verwoorden. De AU, de VN en de internationale gemeenschap als geheel zouden nauwer en op een gestructureerder basis met hen moeten samenwerken. Op het ogenblik brengt een hele stroom ambassadeurs, hoge VN-functionarissen en andere buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders geregeld een kort bezoek aan het gebied, maar dit heeft vrijwel geen duurzame invloed. Nodig zijn politieke vertegenwoordigers die geruime tijd in Darfur blijven en het vertrouwen van de rebellen winnen, zodat ze hen kunnen helpen een politiek platform te ontwikkelen.

Ten vierde heeft het conflict een generatie-element. Jonge mannen uit Darfur vertrouwen hun politieke leiders en stamoudsten niet meer. Het is daarom belangrijk prominente leden van de jonge generatie te vinden (academici, zakenlieden) die dicht bij de rebellen staan en uit dezelfde etnische groep afkomstig zijn, en deze op te leiden en met hen samen te werken. Er zijn uitstekende universiteiten in de regio die bereid en in staat zijn deze jonge leiders korte maatopleidingen te bieden.

Ten slotte is er een belangrijke les te trekken uit het DPA: een overeenkomst die de partijen wordt opgelegd, houdt geen stand. De internationale gemeenschap kan geen duurzame vrede afdwingen, maar ze kan wel nauw samenwerken met de betrokken partijen om ze te helpen deze zelf te bereiken.

Marianne Nolte is als adviseur, onder meer voor het ministerie van Buitenlandse Zaken en de VN, vanaf 2003 betrokken bij Darfur.