Verzet of berusting, dat is de vraag

Rachida Lamrabet: Vrouwland. Meulenhoff/Manteau, 236 blz. € 22,50

Met literatuur van allochtone schrijvers liep Vlaanderen de afgelopen jaren wat achter bij de rest van Europa. Ook bij Nederland, waar uitgeverij Arena in 1996 de bundel Het land in mij uitbracht met verhalen van ‘jonge schrijvers op de grens van twee werelden’. Onder hen Hafid Bouazza, van wie net de verhalenbundel De voeten van Abdullah was uitgekomen, en Naima El Bezaz die het jaar daarvoor leeftijd had gedebuteerd met De weg naar het noorden. Zij maakten de weg vrij voor andere auteurs van Marokkaanse origine.

In Vlaanderen bracht Kif-Kif, een intercultureel Vlaams jongerenplatform, vorig jaar Nieuwe stemmen uit Vlaanderen uit en hoewel matig ontvangen kreeg het bekroonde verhaal ‘Mercedes 207’ van Rachida Lamrabet (1970) lof toegezwaaid. Ze is van dezelfde generatie als Bouazza en El Bezaz en treedt al meer dan tien jaar in de openbaarheid. Als juriste roert zij zich in debatten over de multiculturele samenleving en nu is er dan eindelijk haar eerste roman, Vrouwland, over leven op de grens van twee werelden.

Op het eerste gezicht lijkt het verschil met bijvoorbeeld het debuut van Naima El Bezaz levensgroot. Je kunt zien dat we tien jaar verder zijn. Bij Lamrabet geen getreur over kansloze illegalen, maar het verhaal van een Hirsi Ali-achtige hoofddoekloze politica die zich niet laat intimideren door moslimfundamentalisten en korte metten maakt met alles wat haar persoonlijke ontwikkeling belemmert. Vrouwland is de naam die Marokkaanse jongens Europa geven omdat de dienst daar volgens hen wordt uitgemaakt door vrouwen.

In de roman keert de Vlaamse ex-moslima Mara samen met haar ontspoorde broer voor enige tijd terug naar Marokko om in de Rif familie te bezoeken van haar vroegere vakantieliefde Younes. Deze in de Arabische letteren afgestudeerde bootvluchteling is onderweg naar België omgekomen. Aan een mededrenkeling had hij een brief overhandigd voor Mara, de jonge Antwerpse die hem ooit in Marokko haar jawoord gaf. Als de brief Mara bereikt, heeft zij zojuist bij gemeenteraadsverkiezingen een vracht stemmen gewonnen, mede dankzij ferme uitspraken tegen de hoofddoek. Ze heeft inmiddels een blonde geliefde, aan het geloof doet zij niet meer, oude familie- en groepsverbanden zijn passé. Alles gaat haar voor de wind. Maar dat is oppervlakkige schijn. Haar politieke partij laat haar bungelen, ze wordt bedreigd door extremisten, de familie van de blonde vriend blijkt haar niet echt te accepteren. Weg naar Marokko dus maar.

Maar dat is het land dat Mara sinds haar vroegste jeugd haat. De schrijfster moet dan ook de onwaarschijnlijkste metafysische toeren uithalen om de lezer deze keuze van haar hoofdpersoon te laten begrijpen. Helaas slaagt zij daar niet in en daarmee valt de bodem onder de roman weg.

Mara wordt in de Rif geconfronteerd met verregaande achterlijkheid, gepersonifieerd door Faïza, een meisje zonder diploma’s met als enig levensdoel een huwelijk in het hiernamaals. Faïza haat ‘het Westen’ waar de mensen harteloos zijn en geen geloof hebben. Overigens blijken alle andere windstreken in deze roman evenmin perspectief te bieden aan Marokkanen die onderwerping aan geloof en traditie belangrijker vinden dan zelfontplooiing. Mara begint in Marokko te aarzelen of de keuze voor zichzelf en daarmee tegen ‘haar mensen’, zoals ze Marokkanen ineens noemt, wel juist is geweest. ‘Verzet of berusting. Dat had voor haar een wereld van verschil uitgemaakt. Alles of niets. Maar maakte het werkelijk iets uit?’ We komen daar niet achter in dit verhaal, dat uiteindelijk alleen maar verliezers kent.

Afgezien van de ongeloofwaardige plot, blijft deze roman te veel aan de oppervlakte in de beschrijving van de westerse samenleving en de karakterisering van de daarin figurerende personages. In dat opzicht is Lamrabet nog niet veel verder dan haar Nederlandse collega El Bezaz elf jaar geleden al was, terwijl ze in haar uitbeelding van de Marokkaanse werkelijkheid de ironie van Bouazza’s debuutbundel mist.