Verlos de soul van vroeger

2007 was een goed jaar voor soulmuziek, met veel prachtige nieuwe platen. Concerten van soulsterren zijn ware erediensten. Toch een kanttekening: waarom moet soul altijd ‘authentiek’ zijn en net als vroeger klinken? Weg met de retrolobby!

John Legend foto Reuters/ Joshua Lott Music artist John Legend performs during a during a pre-rally for U.S. Senator and Democratic presidential candidate Barack Obama (D-IL) before the start of the Jefferson Jackson Dinner at the Hy-Vee Hall in Des Moines, Iowa November 10, 2007. REUTERS/Joshua Lott (UNITED STATES) REUTERS

We weten niet hoe onze ziel eruit ziet, maar we weten wel hoe hij klinkt. Daar is zo’n vijftig jaar geleden de soulmuziek voor uitgevonden. Er is gladde soul, diepe soul, Zuidelijke soul, Noordelijke soul, vrouwensoul en mannensoul. Maar hoe de muziek ook klinkt, soulzangers hebben één kenmerk gemeen: hun stem staat in verbinding met hun ziel. Of een zanger het nu heeft over lust, liefde, geld of god, we ervaren de uitgedrukte emotie als ‘echt’. Die stem komt van diep. Over Ray Charles bijvoorbeeld, die soul in 1957 heeft uitgevonden, werd gezegd: „Hij kan het niet zeggen, hij kan het niet zingen, he has to cry it to you.” Zijn stembanden waren als een schoepenrad, dat met elke omwenteling meer gevoel naar boven haalde.

Het criterium ‘authentiek’ ontbreekt zelden als het over soul gaat. Dat geldt dan vaak niet alleen voor de bezongen emotie, maar ook voor de muziek, het geluid daarvan, en zelfs de opnamekwaliteit.

Vijftig jaar na Ray Charles wordt er nog altijd soul gemaakt en ook 2007 was een goed souljaar, met prachtige cd’s van oudgedienden Bettye Lavette en Mavis Staples, en van recente aanwinsten als Joss Stone, Sharon Jones, Jill Scott en John Legend.

De cd’s van deze zangers zijn populair, hun concerten altijd uitverkocht. Bezoek optredens van Jill Scott, John Legend, Solomon Burke of Mavis Staples en je ziet een eredienst; zelden is het publiek zo devoot als bij deze sterren.

Bij al dat goede nieuws past toch een fundamentele kanttekening. Besprekingen en recensies van soul-cd’s mogen doorgaans positief zijn, ze zijn ook vooringenomen. Met opvallende eensgezindheid kwalificeren recensenten en liefhebbers soul als ‘stijlvast’, ‘klassiek zuidelijk’, ‘alsof het in 1969 is opgenomen’. En dat is positief bedoeld. Soul wordt pas soul als het aan bepaalde criteria voldoet – en dat zijn conservatieve criteria. Zijn er blazers bij, zijn er gospelkoortjes, en vooral: klinkt het net als toen?

Zo gaat de waardering gelijk op met de mate waarin de muziek samenvalt met de herinnering aan vroeger. Geen groter compliment dan de conclusie dat „dit klinkt alsof het is opgenomen in de Muscle Shoals-studio in Alabama”. Want dat was de studio waar grootheden als Aretha Franklin, Isaac Hayes, Wilson Pickett, Bettye LaVette en Otis Redding hun inmiddels klassieke soulliedjes vastlegden, met simpele middelen, in een analoge geluidsstudio.

Daarmee neemt soul binnen de popmuziek een unieke positie in. Geen artiest wordt ooit geroemd om zijn ouderwetse aanpak, zijn respect voor oude gebruiken of conservatisme. Integendeel: vernieuwing en ontwikkeling zijn binnen de popmuziek een voorwaarde. Behalve voor soulartiesten.

Niet alleen het publiek is behoudend, ook de artiest voelt zich aan de traditie gebonden. Toen Solomon Burke in 2002 bezig was aan Don’t Give Up On Me, de plaat die zijn comeback zou betekenen, werkte hij samen met producer Joe Henry. Joe Henry vertelde later dat ze onenigheid kregen over de arrangementen. Burke wilde per se een blazerssectie. Hij vond dat hij dit aan zijn naam verplicht was. Henry wilde geen blazers waarop Burke zei: „Hoe kun je soulmuziek maken zonder blazers en gospelzang?”

Eind jaren negentig ging het even een andere kant op. Toen was er een klein golfje ‘nu soul’ (ofwel ‘new soul’), met de boegbeelden Angie Stone, D’Angelo en Maxwell. Ze bewezen eer aan de oude helden, en sloegen tegelijk een brug naar de eigen tijd. Synthesizers mochten meedoen en hiphopritmes kregen een kans. Ook zij werden succesvol. Hun concerten waren goed bezocht, hun cd’s geliefd. Maar van D’Angelo en Maxwell is al jaren niets meer vernomen. Waar zijn ze gebleven? Teruggeschrokken van hun eigen avontuurlijkheid? Verstrikt geraakt in het retro-dilemma?

Die hang naar het verleden is, waar het soul betreft, zelf ook al weer traditie. Deze traditie gaat terug op John Lomax, die begin vorige eeuw de verst afgelegen streken in Amerika bezocht om muziek te verzamelen. Hij was de eerste die blues gelijkstelde met ‘zwart’. Lomax legde vooral zwarte muzikanten vast, al waren er in die tijd ook genoeg blanken die blues zongen. En niet alleen moest de vertolker ‘zwart’ zijn, John Lomax zag zijn zangers ook graag arm. Zo waren het de zwarte landarbeiders die het gezicht van de blues bepaalden. Als Lomax een elpee uitbracht, zorgde hij ervoor dat de hoes werd gesierd door een foto van een gitaar spelende zwarte landarbeider, op de waranda van zijn huisje, uitkijkend over het veld. Zo werd de suggestie gewekt dat deze man wat voor zich uit zat te spelen, zonder gedachten aan publiek of succes.

Dat in werkelijkheid deze zangers gewoon betaalde entertainers waren die ’s avonds de juke joints tot zweten brachten, en zich een grote aanhang verwierven, kon het platenkopende publiek niet vermoeden. Ook de notie dat er hard werd geschaafd en gesleuteld aan de vernieuwing van het genre, werd door Lomax weggemoffeld. Hij schilderde deze muziek bij voorkeur af als een pure natuurkracht en haar vertolker als een nobele wilde. Dit archetype heeft de blues nooit meer kunnen afschudden. En de soul, die uit blues voortkwam, lukte dat evenmin. Zo ontstond de aanname dat soul authentiek moet zijn – in plaats van vernieuwend of eigentijds.

Dit idee ging lange tijd zij aan zij met die andere misvatting: dat soulzangers zwart moeten zijn. Gelukkig was daar een paar jaar geleden de jonge Britse Joss Stone die dit vooroordeel aan flarden zong. Hoewel het ook niet klopt om Amy Winehouse een soulzangeres te noemen. Het bijzondere van haar stem is juist dat hij géén verbinding heeft met haar ziel: hoe Winehouse er ook aan toe is, die stem gaat onverminderd door. Te verwachten is dat hij ook na haar dood op eigen kracht verder zingt. Daarmee is Winehouse dus zelfs de anti-these van de soulzangeres.

De echte soulzanger laat ons horen dat het leven geleefd is en zijn sporen heeft nagelaten. Neem Bettye LaVette, de zangeres die dit jaar een prachtige cd maakte, The Scene Of The Crime. Zij werkte daarvoor samen met Drive-By Truckers, een rockband uit Alabama. En hoe hard de critici ook riepen hoe authentiek deze muziek klonk en hoe ‘1969’: dat was een Pavlovreactie. Al was Bettye LaVette na 35 jaar teruggegaan naar Muscle Shoals om daar haar plaat op te nemen, je hoort hier een vrouw tegen de achtergrond van een brutale rockband. De soul van nummers als They Call It Love, Jealousy en Choices zit hem in LaVettes uitstraling. Bettye LaVette laat horen hoe ze zich boven het aardse geploeter weet uit te tillen, haar stem werpt ze uit als was het haar reddingsboei. Door die klank en dictie maakt het niet meer uit wat ze zingt, waarover ze zingt en in welke context ze zingt. Het gevoel is universeel, en dát maakt het soul.

Dus weg met de retro-lobby en steekwoorden als ‘Alabama’, ‘1969’ en ‘authentiek’. Ruim baan voor soul in de breedste zin, het wordt tijd voor electrosoul, minimal soul en Balkan-soul.