Slaafser volgen van VS kan haast niet

Soms zijn er onthullingen die de resultaten van parlementaire enquêtes en wetenschappelijke onderzoeken in de schaduw stellen. De afgelopen week was het raak. Eerst zetten de verzamelde Amerikaanse inlichtingendiensten jarenlang volgehouden regeringspolitiek te kijk als uit de lucht gegrepen. Vervolgens kwam Ben Bot, voormalig topdiplomaat en minister van Buitenlandse Zaken, in deze krant met de ontboezeming dat hij wel degelijk van mening was en nog steeds is dat de inval in Irak een vergissing was. Dat had hij ook al eens als bewindsman gezegd, maar hij had op last van de premier zijn woorden ingeslikt. Nu kwam hij daar weer op terug. Om ten slotte afgelopen weekeinde bij Balkenende zijn excuses aan te bieden, zoals de premier de Tweede Kamer vertelde.

De burger blijft verbijsterd achter. De Amerikaanse president heeft bij herhaling verklaard dat het priesterbewind in Iran op het bezit van de atoombom uit is en dat alle opties, met inbegrip van de militaire, ter tafel blijven om dat te voorkomen. De zaken in Irak en Afghanistan gaan intussen zo slecht dat aan die militaire optie moeilijk nog geloof te hechten valt. Met zijn populariteit op een dieptepunt en het einde van zijn presidentschap nakend lijkt het ondenkbaar dat Bush zich in een nieuw avontuur stort dat vele malen riskanter is dan alles wat hij tot dusver heeft ondernomen. Sceptici zien in de mededeling van de inlichtingendiensten dat Iran, zo het al een militair atoomproject had, dat in 2003 heeft beëindigd, de doodsklap voor verdere presidentiële megalomanie.

Dat is overigens niet de slotsom van de Europese Unie. Deze club heeft zich opnieuw aan de kant van Bush geschaard en de VN-Veiligheidsraad opgeroepen de sancties tegen Iran te verzwaren. Waartoe, zou men zich kunnen afvragen, als Iran niet in staat is te beëindigen wat er niet is. Dat probleem had Saddam Hussein ook al in het voorjaar van 2003 toen Amerikanen en Britten zich opmaakten voor hun invasie.

Geopperd is dat internationale druk in dat jaar Iran tot inkeer heeft gebracht. Maar die was, althans bovengronds, op dat moment nog nauwelijks merkbaar. Kan het zijn dat het veronderstelde Iraanse atoomproject vooral een regionaal doel had en dat de uitschakeling van aartsvijand Saddam Hussein in 2003 nut en noodzaak van dat project wegnam? Zoiets zou twee vliegen in één klap hebben betekend.

Dan de late eerlijkheid van Bot. Na zijn eerdere uitspraak als minister heeft hij zich vervolgens kritiekloos aangesloten bij het regeringsstandpunt. Dat betekende dat parlement en publiek door deze bewindsman bij voortduring niet serieus zijn genomen. Hij hield sindsdien immers zijn ware oordeel vóór zich en maakte zich als verantwoordelijk minister woordvoerder van een beleid waarin hij zelf niet geloofde. Een beleid bovendien waarmee de levens van de naar Irak uitgezonden Nederlandse militairen waren gemoeid.

Premier Balkenende zegt nu dat Bot destijds had moeten aftreden. Maar in de weergave van Bot wilde de premier dat toen tegen iedere prijs voorkomen, omdat de oppositie dan vrij schootsveld zou hebben gehad en voortzetting van het regeringsbeleid zou worden gehinderd, zo niet onmogelijk gemaakt. (Achteraf niet erg overtuigend nu dat beleid door de grote coalitie, met inbegrip van de toenmalige grootste oppositiepartij, op hoofdzaken wordt gecontinueerd.)

Bot: „Maar volgens een opiniepeiling was 80 procent van de Nederlanders het met me eens. Ik kreeg allerlei telefoontjes en sms’jes van mensen die zeiden: bravo!” Wat zullen die mensen hem hebben laten weten na zijn knieval? Bot: „Het was vernederend, heel onplezierig”. Maar het ging naast die persoonlijke kater vooral om ernstige corrumpering van de politieke en staatkundige verhoudingen in het vaderlandse bestel.

Van betekenis zijn Bots ontboezemingen over zijn relatie met de Amerikaanse regering, meer in het bijzonder met zijn ambtgenoot Rice en ten slotte ook de president zelf. Wat Bot daarover kwijt wil moet worden gezien tegen de achtergrond van een hoog gewaardeerde diplomatieke loopbaan die hij afsloot met een overtuigend optreden als permanent vertegenwoordiger bij de Europese Unie in Brussel. Als permanent vertegenwoordiger zocht hij de grenzen van de Nederlandse invloedssfeer op, tegelijkertijd een steeds gretiger Haagse achterban wijzend op de beperkingen waaraan zijn functioneren ook was onderworpen.

Maar in zijn betrekkingen met Washington als bewindsman was er weinig meer over van de zelfverzekerde en uitstekend ingevoerde diplomaat uit de Brusselse periode, getuige Bots eigen weergave van die betrekkingen. In de rel over geheime CIA-gevangenissen in Europa liet Bot zich door Rice overtuigen dat er niets aan de hand was. Toen de president zelf toegaf dat die gevangenissen er wel waren (geweest), had Bot een geloofwaardigheidsprobleem. Maar toen Bush hem herkende („Hey, that is the minister of The Netherlands, how’s Jan Peter?”) was hij even gevleid als toen Bill Clinton bij een andere gelegenheid een arm om zijn schouder sloeg.

Persoonlijke vleierij (Bot: „Natuurlijk word je ingepakt.”) en een kortzichtige kijk op de Atlantische verhoudingen bepalen de Nederlandse houding tegenover Amerika. De rationalisatie van die houding wordt gegeven als ‘zonder Amerika gaat niets’. Bot: „Het is niet langer een bondgenoot met wie je graag geassocieerd wilt worden. En dat is jammer, want Europa en Amerika moeten elkaar in deze wereld vasthouden.” Tegen iedere prijs? Als we Bot moeten volgen, rest Europa niets anders dan ‘En wat zij vinden, zó is het.’ In de geschiedenis van de Atlantische betrekkingen heeft die slaafsheid geen precedent.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.