Sentiment in Verweggistan

Paul Theroux schrijft in zijn nieuwe verhalenbundel over de sentimentele overzichtelijkheid van sommige romans over India. En inderdaad, wat is het wereldbeeld dat uit exotische bestsellers naar voren komt?

Dat de Nederlandse militaire aanwezigheid in Uruzgan verlengd zou worden, was natuurlijk al geen verrassing meer. Wél verrassend was het om, enkele weken eerder, in Trouw te lezen dat romans bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld: VVD-kamerlid Arend Jan Boekestijn gebruikte zonder een spoor van aarzeling het werk van Khaled Hosseini als argument: ‘Ik kan me haast niet voorstellen dat je de boeken van Hosseini kunt lezen en vervolgens zegt: onze troepen moeten weg uit Uruzgan’. Vrijwel iedereen in politiek Den Haag deed met hem mee, met uitzondering van Mariko Peeters (Groen Links), die in Trouw repte van misbruik van de boeken voor politieke doelen: ‘De regering doet mee aan de romantiek die rond de De vliegeraar en Duizend schitterende zonnen hangt. Dat we heel erg goed bezig zijn met wederopbouwwerk en dat daardoor de scholen weer open zijn en de positie van vrouwen is verbeterd. Dat is valse romantiek.’

Hosseini’s boeken zijn in boekhandels en supermarkten niet aan te slepen, in het kielzog van bewogen vrouwenlevens met verhalen over moeilijke huwelijken met Masai-mannen, relaties met Arabieren en ontwikkelde dochters uit het Midden-Oosten die krachtig het patriarchaat bevechten. Het zijn boeken over persoonlijke zoektochten en zelfoverwinningen, en ze doen een beroep op een typisch westers sentiment.

In de nieuwe verhalenbundel van Paul Theroux, De poort naar India, staat een goede beschrijving van het soort boek dat ik bedoel: ‘Ze begint een Indiase roman te lezen, veelgeprezen, van een Indiase vrouw die in de Verenigde Staten woonde. Was dit sentimentaliteit en niets meer? Het boek sprak haar niet aan; het probleem met dit boek en andere die ze had gelezen was dat ze niet het India beschreven zoals het op haar was overgekomen, of de mensen die ze had ontmoet. Waar waren die families? De romans beschreven een overzichtelijker India, vol ambities, niet het India van smekende bedelaars of idioot komische kooplieden, of mensen die zo pompeus waren dat ze op een parodie leken.’

Een overzichtelijk beeld van een onoverzichtelijke wereld, daar hebben veel lezers (en politici) op het ogenblik blijkbaar behoefte aan. ‘Exotisch mondialisme’ zou je het kunnen noemen: boeken die zich ver weg afspelen, in een hele andere cultuur (soms ook een andere tijd) en die de confrontatie aangaan met de cultuur van de lezer. Het zijn boeken die vaak een bordkartonnen beeld van een onbekende wereld optrekken, maar die de lezer de indruk geven dat ze de beschreven landen en culturen begrijpelijker, overzichtelijker maken.

Maar eigenlijk bekrachtigen schrijvers als Pascal Mercier (Nachttrein naar Lissabon) en Khaled Hosseini juist bij voorkeur ons bestaande wereldbeeld. Hosseini toont ons onderdrukte vrouwen, Mercier sleept ons mee in het Lissabon van Pessoa. De overeenkomst schuilt in de combinatie van een flinke dosis sentimentaliteit met de schijn van authenticiteit.

En die schijn is belangrijk: P.F. Thomése kon met zijn Ambonees sprookje Izak op verbaasde lezersreacties rekenen toen hij verklaarde nog nooit in Indonesië te zijn geweest. Als schrijver moet je blijkbaar ergens geweest zijn om er een verhaal over te mogen vertellen.

Dit principe komt natuurlijk enigszins op losse schroeven te staan bij de historische roman – het is immers niet mogelijk om een controleerbaar kijkje in het verleden te nemen – maar ook voor dat genre geldt dat niets een positief oordeel zo in de weg kan staan als het onbedoelde of niet als bedoeld herkende anachronisme. Het beeld moet kloppen, of in elk geval: het moet waarachtig aanvoelen. Voor de lezer gelden deze voorwaarden overigens niet, die mag elk boek lezen ongeacht of hij enig besef heeft van de locatie waar de exotische roman zich afspeelt.

Maar er is met dat exotisch mondialisme nog iets anders merkwaardigs aan de hand. Lezers willen er iets aan ontlenen voor de werkelijkheid. Dat ergert bijvoorbeeld het lezende personage bij Theroux, die de families mist die zíj had ontmoet.

Ook de Indiaas-Engelse schrijver Pankaj Mishra stoort zich aan boeken die vanuit een westers perspectief een oosterse cultuur beschrijven (zie NRC 13.01.07). Die vlakke mondiale smaak voor het exotische omschrijft hij als McLiterature. Volgens hem spelen de Chinese romans die we tot ons nemen zich nog steeds bij voorkeur vooral op het Chinese platteland af, terwijl dat met de werkelijkheid weinig te maken heeft. Zijn kritiek lijkt een echo van Theroux’ treinreizigster.

Als voorbeeld noemt Mishra Salman Rushdie’s Shalimar de clown en Monica Ali’s Brick Lane. Mishra stelde vast dat ‘auteurs die schrijven voor een publiek dat niet vertrouwd is met hun onderwerp altijd het risico lopen dat ze dingen vereenvoudigen en te veel uitleggen.’ Indiase schrijvers zien vooral een probleem in culturele onvertaalbaarheid, aldus Mishra: ‘Schrijvers in Indiase talen blijven werken met sjablonen die eerder individueel en introspectief zijn, zonder zich te bekommeren om een volledige weergave van India of de weergave van een bijzonder detail’. Rushdie zou te veel concessies doen in zijn poging een ideeënroman te schrijven. Shalimar de clown toont niet de wereld van, bijvoorbeeld, Kashmir zoals die is, en Monica Ali’s personage Nazneen is ‘volstrekt ongeloofwaardig voor een lezer in Bangladesh’.

Tegen dat gegeven op zichzelf maakt Mishra geen bezwaar, maar het wordt ingewikkeld omdat deze schrijvers ‘in het Westen vaak worden beschouwd als literaire woordvoerders van hele samenlevingen’. Ze krijgen de taak toebedeeld om de ‘communicatie tussen culturen’ te bevorderen. ‘We kunnen ons voorstellen dat romanschrijvers, hoe multicultureel hun achtergrond ook is, hun personages onderwerpen aan de mores van persoonlijke bevrijding – te weten: seksuele of intellectuele rebellie – die de westerse kunstvorm die de roman nu eenmaal is, zijn personages zo ongeveer voorschrijft. Islamitische vrouwen die hun persoonlijke vrijheid ontdekken: het is een thema dat vandaag de dag vooral in het Westen veel lezers aanspreekt: het beantwoordt aan bepaalde conventies van het burgerlijk liberalisme’.

Literatuur en mondialisering: het lijkt een onmogelijke combinatie in de visie van Mishra. De eisen die hij stelt aan de schrijver zijn eigenlijk onhaalbaar. Hij gunt de niet-westerse schrijvers weliswaar een flinke inhaalslag in de wereldliteratuur, maar in feite vraagt hij ook van schrijvers dat ze hun onderwerp zijn. Laat Hosseini over Amerika schrijven, laat Mercier zijn filosofietjes niet verpakken in een echo van Pessoa.

Misschien zijn dat in deze gevallen niet zulke heel slechte suggesties, maar bestsellers zouden die boeken dan niet geworden zijn. Bovendien gaf de Nieuw Zeelandse auteur Lloyd Jones in een gesprek met deze bijlage (12.10.07) al aan wat het probleem zou worden: had Ezra Pound niet over China mogen schrijven? Moet je de bevolking van Bougainvillea het werk van Dickens ontzeggen? Want dat is wat Mishra lijkt te doen, wanneer hij het heeft over culturele onvertaalbaarheid. Er komt een ‘verbod’ te liggen op een bepaalde literaire strategie.

Mishra is een purist, al zal hij misschien zo ver niet willen gaan schrijvers een strategie te ontzeggen. Toch heeft hij geen ongelijk in zijn wantrouwen ten aanzien van de westerse literatuur en de ‘authentieke’ wereld die erin beschreven wordt. Want de andere wereld die de lezers via Hosseini of Mercier willen leren kennen, is bij voorkeur juist níet gebaseerd op de literaire verbeelding. De schijn van authenticiteit verklaart waarom dit soort boeken literair minder interessant zijn.

En Theroux? Zijn neerbuigende beschrijving van het ‘veelgeprezen boek’ suggereert dat zijn personages het beter weten, en misschien dat híj het beter weet dan die sentimentele Amerikaanse Indiërs. Wil hij een authentiek beeld van India geven of alleen een sneer uitdelen aan auteurs die mikken op verkoopsucces door sentimentaliteit in Verweggistan te presenteren?

In De poort naar India haalt Theroux alles uit de kast dat exotische bestsellers typeert: een zoektocht naar de eigen identiteit en een beschrijving van een exotisch land met zijn onmiskenbare culturele eigenaardigheden. Maar vervolgens drijft hij er de spot mee, want hij kiest nadrukkelijk voor het perspectief van westerse toeristen die, al zoekend naar zichzelf, een ander uitbuiten. Daarmee schetst hij eigenlijk vooral egoïstische Amerikanen en geen Indiërs.

Neem de jonge vrouw die in volle overtuiging ingaat op de avances van een mooie Indiase jongen, om na afloop van de nogal ongemakkelijke seks te horen: ‘Heeft u misschien een cadeautje voor me, mevrouw? Paar roepies?’ Haar man daarentegen gaat er juist prat op een meisje alleen geld te hebben gegeven zonder van haar diensten gebruik te maken.

In een ander verhaal ontwikkelt een Amerikaanse zakenman zich van hoerenloper tot filantroop, zo meent hij zelf: hij heeft seksuele relaties met straatkinderen in Mumbai, betaalt ze goed, biedt ze een beter leven, maar wordt op een dag toch op straat uitgejouwd omdat hij een uitbuiter zou zijn. Wanneer het meisje waarin hij maandenlang ‘geïnvesteerd’ heeft, zich niet eens zijn naam blijkt te herinneren, trekt hij zich gedesillusioneerd terug en reist naar het binnenland van India, alle bezittingen achter zich latend.

Theroux draait het exotisch mondialisme om: vol vuur storten zijn personages zich in een zoektocht naar persoonlijke bevrijding, om zichzelf vervolgens in een complete desillusie te hervinden. Het is bovendien niet zijn bedoeling om de mythe van de ‘puurheid’ van het Oosten tegenover het decadente Westen hoog te houden: de meeste Indiërs in zijn boek zijn weliswaar beleefd en vriendelijk, maar achter dat masker ook onbetrouwbaar en corrupt.

Een recensent in de Times concludeerde na zijn negatieve recensie van De poort naar India dat een Indiase roman van een Indiase schrijver een betere mogelijkheid biedt om het land te begrijpen dan de verhalen van Theroux. Hij schaart zich hiermee al dan niet bewust achter Mishra die authenticiteit in de literatuur liefst zo lokaal mogelijk zoekt. Maar dit verwijt aan Theroux is ten onrechte. Theroux probeert de lezer niet te overtuigen en heeft geen politieke, spirituele of culturele agenda. Theroux heeft, niets meer maar zeker niet minder, een literaire verhalenbundel geschreven. Dat het een bestseller wordt, lijkt uitgesloten, maar het is een goede en genuanceerde bundel waarin hij trouw blijft aan zijn thema: de onmogelijkheid een andere cultuur zomaar te doorgronden.

Al in The Mosquito Coast beschreef Theroux hoe een man een ijsmachine uitvindt om die midden in de jungle te exploiteren. Deze klassieker is een parabel van het onvermogen van de westerse mens om werkelijk in een andere wereld thuis te horen. De goede bedoelingen van politici, die met tranen in de ogen opkijken uit De vliegeraar en besluiten dat er iets moet gebeuren om vervolgens vol onbegrip de puinhopen groter te zien worden, zijn daarvan een treffende illustratie.

Paul Theroux: De poort naar India. Uit het Engels vertaald door Tineke Funhoff en Jan Donkers. Atlas, 320 blz. € 19,90