Provocatie en verveling in de kippenren

Soms lijkt Nederland op een dorp, waarvan de inwoners collectief een beetje mesjogge zijn geworden. Of op een kippenren. Aardige, getalenteerde jonge fotografe van Iraanse herkomst zendt foto’s in naar tentoonstelling. Afgebeeld: twee homo’s hangen beetje rond, soms getooid met papieren maskers die de gezichten van de profeet en diens schoonzoon Ali verbeelden.

Fotografe – publiciteit is alles voor de beginnende kunstenaar – wijst een gratis krant op het provocatief karakter van de foto’s. Het is met de homorechten immers droevig gesteld in Iran. En het afbeelden van de profeet en schoonzoon in deze context mag er ook zijn. Reeds staat een vertegenwoordiger van de meest xenofobe partij in het parlement klaar om warme steun voor de tentoonstelling van de foto’s uit te spreken.

Dan besluit een museumdirecteur om de foto’s niet tentoon te stellen. Hij heeft geen zin in die discussie, laat hij weten. Hoe getalenteerd die fotografe op zich ook moge zijn. Meteen ontstaat er grote opwinding in het kippenhok. Er vallen grote woorden: de onaantastbaarheid van het recht op vrije meningsuiting (al of niet), de geoorloofdheid van het anderen tegen het hoofd stoten met het op originele wijze gebruiken van religieuze motieven (al of niet), de plicht van een museum om te laten zien wat het eerder in huis heeft gehaald (al of niet).

Het is een debat met overbekende argumenten, al talloze malen afgedraaid – naar aanleiding van Theo van Goghs film Submission 1 bijvoorbeeld. En nadat de oude platen zijn afgedraaid, gaat de affaire zijn tweede fase in. Aangespoord door het leger van engerds dat er als de kippen bij is om wie zich in het openbaar debat begeeft om de oren te slaan met min of meer serieuze bedreigingen, gaat de jonge fotografe ondergronds en richt van daaruit een open brief aan de minister van Cultuur, waaruit trouwens blijkt dat ze behalve aardig fotograferen, ook nog leuk schrijven kan. De minister geeft een nietszeggend antwoord: nu ja, hij nodigt haar uit voor een gesprek, alsof dat iets zou uitmaken. Een instant-oplossing voor een instant-discussie.

Ik moet zeggen dat ik de houding van de museumdirecteur heel goed kan begrijpen. Hij heeft, denk ik, zichzelf en ons deze hele treurige kermis willen besparen en de ironie wil dat hij die daarmee juist in gang heeft gezet. Jammer, leuk geprobeerd. Verder maakt de zaak bij mij alleen verveling wakker en verveling, het spijt me, kan niet de bedoeling zijn van een kunstuiting. Kunst, lijkt me, kan er beter op gericht zijn je iets te laten zien wat je nog niet hebt gezien, wat nog niet is gehoord, of beleefd.

Wat er bij deze instant-rel gebeurt, weet ik allemaal al. Zoals ik weet dat in Nederland de strijd om de vrijheid van meningsuiting ten principale al in de negentiende eeuw is beslecht. En de strijd voor de homorechten in Iran laat ik met een gerust hart aan de Iraanse homo’s over.

Fraai klinkende argumenten heb ik eigenlijk niet voor mijn afzijdigheid. Verveling, afkeer, voorzichtigheid – het zijn geen motieven waarmee je erg indrukwekkend de degens kunt kruisen. Maar ik houd er wel hardnekkig aan vast. Bij toeval heb ik het begin van de Joegoslavische burgeroorlog meegemaakt – ook een sfeer waarin van iedereen verlangd werd dat hij zich uitsprak, over zichzelf, over anderen. Weg met dat laffe zwijgen over tegenstellingen en verschillen! En ik weet nog hoe dat is afgelopen.