Plunder-estafette

Afghanistan is een schatkamer, maar het culturele erfgoed lijdt zeer onder de oorlog. Veel unieke kunstvoorwerpen bleven op wonderbaarlijke wijze behouden. Een deel daarvan is straks te zien in Nederland. „Onze kunst bewijst dat wij niet altijd barbaren waren”.

Het Nationaal Museum van Afghanistan lag in het voorjaar van 1993 ver achter de frontlijn in het diepe zuidwesten van Kabul. De mujahedeengroeperingen die samen hadden gevochten tegen de Sovjet-Unie, gingen na de val van de communisten door met elkaar het leven zuur maken. De facties die hadden gebroken met de regering, schoten vanuit het zuidwesten raketten de stad in.

Het noordelijke deel van de stad was onder controle van het regeringsrestant. Daar zaten wij. In de schemer klommen we met een laddertje het dak op van het persbureau waar ik logeerde. Van daaruit konden we goed kijken naar het vuurwerk in het zuid westen. Lichtflitsen verbleekten de violette avondhemel en rode tracers trokken spetterende bogen.

Afghanistan heeft een ongekende rijkdom aan kunstschatten, waarvan een groot deel wordt beheerd door het Nationaal Museum. „Er zijn Indiase ivoren, Hellenistische bronzen en medaillons, er is Romeins glas en nog zoveel meer”, zegt Carla Grissman, die samenwerkt met het Nationaal Museum. Dit culturele erfgoed heeft zwaar geleden onder de oorlog die sinds 1979 woedt in het land. De Nieuwe Kerk toont vanaf volgende week een selectie uit een grote hoeveelheid artefacten die op onwaarschijnlijke wijze de oorlog overleefden.

In de lente van 1993 konden we de aanval uit het gebied rond het museum horen komen. Eerst doffe knallen en later het metalen geraas als de raketten insloegen aan onze kant van de bergen. Soms hoorden we voor de inslag nog een vreemd geluid, prrrrrt. Alsof er een onbekend soort nachtvogel overvloog. Vanaf de doffe knal in de verte telden we om te schatten hoe ver verwijderd de raket neerkwam. Hoorden we het goed? Was er een inslagenpatroon in Shar-e-Now; meer in de richting van het presidentieel paleis of kwam het dichter bij ons in Wazir Akbar Khan?

Een van de raketten van ‘onze’ kant moet als eerste door het dak van het museum zijn gekomen want ook de regering schoot raketten af, bijvoorbeeld met een van de Stalin-orgels op de heuvel achter ons. De grond schudde en met hard gedreun vertrokken de raketten over ons heen naar de andere kant van de stad.

Volgens de berichten uit het zuidwesten was na de raketinslag in mei brand uitgebroken op de bovenverdieping van het museum. Een vierde- of vijfde-eeuwse muurschildering uit Bamiyan was zwaar gehavend, maar het was onmogelijk vast te stellen of er nog meer schade was. Wat was er gebeurd met de Romeinse vazen en het glas met driedimensionale afbeelding van de vuurtoren van Alexandrië? Hoe was het met de Ashoka-inscripties die al in de 3e eeuw voor Christus de rechten van mensen en dieren bepleitte, terwijl wij bij wijze van spreken nog in berevellen rondliepen? .

Een van de werken die

de raketinslag maar ternauwernood overleefden, is een marmeren beeld dat bij de Afghanen bekend staat als de ‘man met baard’. Dit beeld uit de derde eeuw voor christus is opgegraven in Ai Khanum, bij de meest oostelijke stad die is gesticht door de troepen van Alexander de Grote. „Het beeld was door de inslag gebroken bij de nek, maar het is gerestaureerd”, zegt directeur Omara Khan Massoudi van het Nationaal Museum. De ‘man met baard’ is straks te zien in De Nieuwe Kerk.

Het gebouw dat het Nationaal Museum huisvest, was in de jaren twintig van de vorige eeuw in gebruik als gemeentehuis naast het paleis dat voor koning Amanullah was ontworpen, maar die maakte zich na een Europese rondreis al snel onmogelijk met allerlei nieuwerwetse ideeën die hij vooral in Turkije had opgedaan. Hij wilde moderniseren met een industrie, een luchtmacht, verplicht onderwijs – ja, ook voor voor meisjes. Amanullah probeerde korte metten te maken met de Afghaanse traditionele dracht en gebood hij mannen voortaan hun lokale kloffie te verwisselen voor ordentelijke kostuums als zij de hoofdstad bezochten.

In zijn enthousiasme vergat de koning de raad van Atatürk: „Bouw eerst je leger op voordat je hervormingen doorvoert.” De radicale veranderingen stuitten op sterke weerstand. In de bazaar van Kabul doken foto’s op van koningin Soraya die ongesluierd staatsbanketten aanzat in Europa, maar Amanullah bleef onverstoorbaar en probeerde zelfs andere mannen te overtuigen hun vrouwen zonder hoofddoek te tonen. „Die van mij mag je in ieder geval zien”, zei hij tijdens een grote bijeenkomst waarna Soraya voor het verzamelde gezelschap haar sluier liet zakken. Exit Amanullah. Een opstand brak uit en Amanullah vluchtte weg in de Rolls Royce die hij had meegenomen uit Europa.

Afghanistan bleek nog niet helemaal klaar voor de twintigste eeuw of iets wat daarbij in de buurt kwam, maar de progressieve ideeën van de flamboyante koning leidden wel tot samenwerking van de Délégation Archéologique Française (DAFA) en Afghanistan. De Fransen kregen voor dertig jaar de exclusieve rechten om opgravingen te doen. De opbrengst werd verdeeld tussen het Nationaal Museum in Kabul en het Musée Guimet in Frankrijk. Alleen de echte meesterwerken bleven in Afghanistan.

Een tiental opgravingen leverde een unieke verzameling op. „Het is vooral de verscheidenheid en de hoeveelheid voorwerpen van voortreffelijke kwaliteit”, zegt de Amerikaanse Carla Grissmann. Zij kwam in de jaren zestig als Peace Corps Volunteer naar Afghanistan en is sinds 1972 vrijwel onafgebroken verbonden met het Nationaal Museum. „De collectie toont de omvang en reikwijdte van de handel langs de Zijderoute.”

De gevolgen van de oorlog voor dat bijzondere Afghaanse erfgoed waren in de eerste helft van de jaren negentig nauwelijks na te gaan. Alleen als je met alle strijdende partijen afspraken had gemaakt kon je de frontlijn over, maar de telefoon deed het niet en van email had nog niemand daar gehoord. Een poging om met collega’s die kant op te gaan strandde bij het Intercontinental hotel.

Het hotel was de grens

van het regeringsterritorium. Het gebouw stond gelijk een windscherm hoog boven een woonwijk, maar doordat het daar zo pontificaal stond, trok het veel raketten. Desondanks bleef het hotel geopend. Gasten waren er niet, maar iedere dag kwamen 360 man personeel bij het vijf-sterren hotel opdraven. Hun salaris werd doorbetaald door de regering. Mijnheer Sakhi, de manager, toonde een lege gang in de kelder. Achter de muur, zei hij, was de drankvoorraad. Die had Sakhi laten inmetselen om de drank uit handen te houden van de heilige strijders, de mujahedeen.

Niet alleen de alcohol, ook de belangrijkste stukken in de collectie van het museum waren buiten bereik gebracht van de mujahedeen. Er waren echter niet veel mensen op de hoogte van hun precieze locatie. Vooral het onbekende lot van het Goud van Bactrië leidde tot veel speculatie. Die nog altijd grootste Afghaanse schat werd ontdekt in 1978, slechts een jaar vóór de Sovjet-invasie, door een Sovjet-Afghaans team. In een oase op de uitgestrekte vlakte in noordelijk Afghanistan lagen ruïnes van een ommuurde stad.

Resten van een monumentaal bouwwerk met zuilenzalen werden omringd door een zware muur. Zes grafkamers van twee bij tweeënhalve meter werden gevonden met de stoffelijke resten in houten kisten, met doeken overdekt. De lichamen waren van vijf vrouwen en een man van ongeveer dertig jaar die wapens droeg, versierd met goud en turkoois. Het hoofd van de krijger rustte op een gouden schaal. De kleren van de overledenen waren met goud doorstikt en drie van de vrouwen hadden spiegels uit de Han-dynastie op hun borst. Een andere vrouw droeg een delicate gouden kroon.

Van onmiskenbare Hellenistisch invloed was het reisgeld zoals in de Griekse oudheid betaald werd voor de laatste reis over de rivier Styx naar de onderwereld. Twee van de vrouwen droegen een munt in hun hand; de vrouw met de kroon had een munt in haar mond. Op de meest recente munt stond de naam van de Romeinse keizer Tiberius. In totaal werden 20.600 voorwerpen gevonden die nu bekend staan als het Bactrische Goud. Later werd nog een zevende graf ontdekt, maar toen de archeologen een jaar later terugkwamen, bleek het leeggeroofd.

Tijdens de jarenlange oorlog zijn de belangrijkste Afghaanse artefacten wel zeven keer door Kabul heen verhuisd. In 1979, terwijl de politieke spanning opliep, nog maar vlak na de spectaculaire vondst van het Bactrische Goud, kreeg het museum orders te ontruimen. De Sovjet-inval volgde enige maanden later. Vanaf dat moment circuleerden geruchten dat de schatten naar het Hermitage in Leningrad waren afgevoerd..

Om speculaties de kop in te drukken werd het goud in 1980 tentoongesteld. „Het was opwindend”, zegt Grissmann. „Ik werd vervuld van ontzag en grote verwondering om de schoonheid van het allerfijnste werk”. De huidige directeur van het Nationaal Museum, Omara Khan Massoudi, zegt: „Veertig dagen duurde de tentoonstelling, maar daarna werd het snel weer ingepakt uit veiligheidsoverwegingen. Dat was de enige keer dat het goud te zien was voor de Afghaanse bevolking”.

President Najibullah, later gemarteld en opgeknoopt door de Taliban, besloot het museum te sluiten toen de Sovjet-troepen Afghanistan verlieten in 1989. De zwaardere objecten en de minder belangrijke stukken werden in het Darulaman-paleis ondergebracht tezamen met de keramieken. De kostbare werken gingen naar het Ministerie van Informatie en Cultuur en het Goud van Bactrië werd opgeborgen in de kluis van de Centrale Bank in het Presidentieel Paleis. In 1991 werd het kort tevoorschijn gehaald om buitenlandse diplomaten te laten zien dat het goud echt nog daar was.

Enkele jaren later begonnen de speculaties toch weer. Een gouden Aphrodite in Bactrische stijl was op de – zwarte – markt gekomen in de Pakistaanse grensplaats Peshawar. Was het goud gestolen uit de kluis in het paleis en was dus wellicht al het goud weg of was de Aphrodite afkomstig uit het leeggeroofde zevende graf? Zeker is dat het Goud van Bactrië dat opgeborgen werd in de kluis, buiten bereik van mujahedeen en Taleban bleef en tot 2003 niet van zijn plaats is geweest.

Voor het zover was, verkruimelde het zuidwesten van Kabul in elkaar opvolgende veldslagen gedurende de jaren negentig. Het museum leed daar zwaar onder. Er volgden meerdere inslagen en beschietingen. Delen van de aardewerk- en bronscollectie raakten beschadigd of verbrijzeld. Het personeel van het museum probeerde zo goed en zo kwaad als het ging voor de restanten van de collectie te zorgen. Ze werkten onder extreme omstandigheden zonder elektriciteit of verwarming en net als andere ambtenaren kregen ze een maandloon van onder de 8 euro. Bovendien waren ze blootgesteld aan het oorlogsgeweld en werden ze bedreigd. Opportunistische krijgsheren wisselden om de haverklap van alliantie en steeds zat een ander clubje langharige muj op de gammele kantoorstoeltjes voor de ingang van het museum. Die verschillende mujahedeen-facties wisselden elkaar af in een plunderestafette.

Hoe desolaat het museum was

, zag ik toen Najibullah Popal, de vice-directeur van het museum me meenam naar Darulaman. De lange kaarsrechte weg had diepe kraters van inslagen en de muren van wat toen iedereen het Kabul Museum noemde, waren gepokt door kogels en granaatsplinters. Een deel van het gebouw was uitgebrand, de muren zwartgeblakerd. Op de benedenverdieping lag het puin enkeldiep. Houten deuren en kozijnen waren uit het gebouw gesloopt, brandhout was schaars en de winters in Kabul koud en lang. Onder de kapotte ramen liepen sporen van banden. Zo hadden de dieven makkelijk kunnen inladen. Het leegroven van het museum was voortvarend aangepakt.

Popal was zichtbaar aangedaan, juist nu ieder vorm van beschaving verdwenen leek in de oorlog moesten de kunstschatten bewaard worden, vond hij: „De kunstwerken zijn de getuigen van het Afghaanse volk”, zei Popal. „Ook al is iedereen het vergeten, onze kunst bewijst dat wij niet altijd barbaren waren”. Ruwweg tweederde van de verzameling verdween. De collectie van 30.000 munten werd gestolen en sommige beeldhouwwerken werden botweg losgezaagd. Onvervangbare ivoren panelen bleken eveneens geroofd.

In 1996 brachten Omara Khan Massoudi en andere werknemers 500 kisten, kratten en dozen met overgebleven kunstwerken in nachtelijke expedities naar het Kabul Hotel. Met gevaar voor eigen leven werden de oprukkende Taliban en de minstens zo bedreigende terugtrekkende regeringstroepen getrotseerd. Massoudi kreeg voor die betoonde moed in 2004 de Nederlandse Prins Claus prijs toegekend. Afgezien van de Boeddha’s in Bamiyan –een filmpje van het opblazen ervan zal eveneens te zien zijn in de Nieuwe Kerk – vernietigden Taleban vooral tijdens het laatste jaar van hun bewind ook in de hoofdstad veel figuratieve voorwerpen. Het standbeeld uit de entréehal van het museum – een Kushan-edelman uit de tweede eeuw, waarschijnlijk koning Kaneshka– , een bodhisattva uit de vierde eeuw en beeldhouwwerken uit de Gandhara-periode werden aan gruzelementen geslagen.

Allerlei pogingen werden in die jaren ondernomen om het restant van de kunstvoorwerpen veilig te stellen. De Society for the Preservation of Afghanistan’s Cultural Heritage lobbyde onder leiding van de onvermoeibare Nancy Hatch Duprée over de hele wereld voor het behoud van het Afghaanse erfgoed. In Zwitserland werd in 1998 het Afghan Museum-in-Exile opgericht op Afghaans-Zwitsers initiatief om een depot te vormen voor bedreigde Afghaanse kunst. Oppositie en Taliban – in die tijd waren het nog niet zulke fanatieke beeldenstormers – steunden die conservatiepogingen, want overal in het land werden illegale opgravingen verricht door krijgsheren.

Het Museum-in-Exile kreeg donaties van vermogende Afghanofielen,maar ook van schuldbewuste kunsthandelaren in Europa die met voorwerpen zaten die illegaal verhandeld of opgegraven waren. In maart dit jaar werd een verzameling van zo’n 1.500 objecten overgedragen aan het museum in Kabul. Maar niet iedereen is zo braaf. Omara Khan Massoudi wacht nog altijd op de Afghaanse ivoren die werden opgekocht door Naseerullah Babar, de Pakistaanse minister van Binnenlandse Zaken onder Benazir Bhutto. „Nee, ik heb nog niets van hem gehoord”, zegt Massoudi.

In 2003 werd de tijd rijp geacht bekend te maken dat veel kunstschatten de oorlog hadden overleefd. Het museum is heropgebouwd, onder meer met steun van de Nederlandse regering, maar het is armlastig en navrant genoeg, ten tijde van de succesvolle tournee van ’s lands erfgoed, ook nog steeds vrijwel leeg.

De geruchten en mythevorming rondom de kunstschatten van Afghanistan zijn na 2001 niet gestopt en duiken opnieuw op in verband met de rondreizende tentoonstelling. Nee, er zijn gelukkig geen medewerkers van het museum vermoord zeggen Grissmann en anderen. Ook het verhaal dat zeven verschillende werknemers met elk een sleutel nodig waren om tezamen de sloten te openen is volgens hun een fabeltje. „Er waren verschillende deuren met hangsloten en schuiven, maar de sloten van de bankkluis waren in vijf, zes minuten open”, zegt Carla Grissman die aanwezig was. Zij weet wel waar het verhaal vandaan komt. „Voor de oorlog werden de verschillende kamers in het museum iedere dag verzegeld met een lijmpot en papier. Bewaarders tekende die zegels en moesten ook bij opening weer aanwezig zijn”.

Het Goud van Bactrië kan door de gebrekkige veiligheidsstituatie voorlopig niet in Afghanistan zelf tentoongesteld worden. Het genoemde Prins Claus fonds maakt een Dari- en Pashtunuitgave van de tentoonstellingscatalogus voor distributie in scholen. Zo kunnen straks Afghaanse schoolkinderen eindelijk kennisnemen van hun culturele erfgoed.