‘Mooi? ... Daar gaat het niet om’

Hij is vaak onder vuur genomen, maar krijgt ook veel waardering. Rudi Fuchs over kritiek en de taak van het museum. „De tijd heeft me ingehaald. Dat gebeurt.”

Rudi Fuchs op het antwoordapparaat: „Ik wil een catalogus langs brengen voordat je bij me komt. Dan kun je zien hoe dat zat met Schnabel en waarom ik hem in 1982 niet op de Documenta toonde. Wanneer ben je thuis?” Tuut-tuut-tuut.

Rudi Fuchs twee dagen na het interview: „Ik heb een boek bij je in het portiek gelegd. Het gaat over die cirkel waarover we het hadden, dat alles rond wordt bij mij. Dat boek laat precies zien hoe het is. Het regent, maar het boek ligt droog. Als het er niet meer ligt, moet je me even bellen.”

Waarmee een paar zaken alvast duidelijk worden. De 65-jarige tentoonstellingsmaker, schrijver, ex-museumdirecteur en Engelse poëziekenner Rudi Fuchs noemt zelden zijn naam aan de telefoon. Zijn woordenstroom begint even abrupt als dat ze moeilijk te volgen is, want de man is een mompelaar.

Ten tweede: Fuchs is iemand met een missie. En als het zijn missie is om iets duidelijk te maken, dan zal hij zich vastbijten zoals een terriër zich vastbijt in een tennisbal.

Rudi Fuchs en ik hebben geen gemakkelijke geschiedenis. Tussen 1993 en januari 2003, toen hij directeur was van het Stedelijk Museum in Amsterdam, volgde ik zijn doen en laten op de voet. Overschrijdingen van het tentoonstellingsbudget en het reisbudget. Achterstallig onderhoud van de collectie en van het gebouw. Een tentoonstellingsbeleid dat in artistiek opzicht weinig verrassingen bood. Teruglopende bezoekersaantallen. Een slepende nieuwbouwaffaire. Niet altijd droeg Fuchs in zijn eentje schuld aan de problemen, ook de gemeente Amsterdam en Fuchs’ voorgangers waren debet. Maar vaak zat Rudi Fuchs naar aanleiding van de negatieve berichtgeving te knarsetanden aan de telefoon. „Wat een schandelijk stuk heeft u geschreven”, zei hij dan.

Onlangs kreeg hij een bijzondere koninklijke onderscheiding: de Eremedaille voor Kunst en Wetenschap, uitgereikt door koningin Beatrix. En ook in het buitenland, vooral Duitsland, Italië en recent ook Groot-Brittannië, is Fuchs zeer geliefd. Daar maakt hij de ene na de andere tentoonstelling en schrijft op verzoek teksten voor kunstenaars die hij bewondert: Damien Hirst, Fabro, Schnabel, Baselitz, en – wacht daar gaat de telefoon – „Ciao Mimmo! Waar? Modena? Een toren? Okee, okee. Ciao!” En Mimmo Palladino dus ook.

Allemaal redenen om hem uit te nodigen voor een gesprek.

Thuis, op een van de banken die door de twee poezen zijn toegetakeld, serveert hij thee. Schilderijen van Lüpertz, Appel en Baselitz hangen aan de muur. Het krijtbord van de kleinkinderen, hun kabouterstoel en speelgoed staan in hoek. Poes Zap zit spinnend op schoot.

Was u trots op die bijeenkomst 31 oktober bij de Koningin?

„Het was een genoegdoening, gezien mijn geschiedenis en de manier hoe er met mij is omgesprongen hier in Nederland na mijn vertrek bij het Stedelijk. Ik voelde me wel eens verneukt, ja. Mijn kinderen, mijn vrienden – zij waren trots. Zij vonden allemaal dat ik die onderscheiding verdiende.”

Er was veel kritiek op u. Ik en ook andere critici vonden dat u het contact met de hedendaagse kunst had verloren.

„(lacht) Tuurlijk. Daarom vragen mensen als Damien Hirst of Tracey Emin mij. Dat gebeurt op hun verzoek, niet op mijn verzoek. Dus ach, kritiek, hoe negatief ook: ik zie haar als vorm van erkenning. Ik word ten minste niet genegeerd. Begin dit jaar schreef ik een stuk in deze krant naar aanleiding van het manifest ‘Naar een mondig museum’. Op dat stuk heeft geen mens gereageerd. Dát is pijnlijk. Ik ben oud maar ik wil wel graag meelullen.”

Beschouwt u de perikelen rond de verbouwing van het Stedelijk als een persoonlijke mislukking?

„Nee. Eind 2002 daagde bij mij het besef dat de gemeente een ander museum wilde: vrolijker, opener. Ik realiseerde me dat ik kon blijven doorboksen voor wat ik belangrijk vond, maar ook dat het zinloos was. Ik heb tegen wethouder Belliott gezegd: ‘Als jullie dit willen, dan moeten jullie een andere directeur zoeken, want ik kan dat niet.’ En zo ben ik vertrokken. Zonder verbittering. Ook nu niet. Nauwelijks.”

Waar gaat het volgens u om in een museum?

„Een museum moet zich heel bewust van elke mode distantiëren. Een museum moet naast de blockbusters de verzameling tonen, rondom de Wirbel een stevig stromende rivier – met alle facetten en verbanden, in ieder museum in Nederland weer nét een andere aanvulling. Dát is de kracht van Nederlandse musea, die je nergens anders ziet.”

En waar gaat het om in de kunstkritiek?

,,Begin met kijken. Begin niet met de vraag of het mooi is. Daar gaat het niet om. De meeste mensen denken: we moeten het mooi vinden. Maar je hebt niks mooi te vinden. Je moet kijken hoe het is begonnen.”

Vorig jaar nam u op verzoek van deze krant vijftien leerlingen van het Nova College in Amsterdam mee naar het Rijksmuseum om over Rembrandts ‘Joodsche Bruidje’ te praten. U bent vrijer geworden sinds uw vertrek bij het Stedelijk.

„Iemand vroeg eens aan de beeldhouwer Henry Moore – hij was toen negentig jaar: ‘Hoe komt het dan u nog steeds zulke prachtige beelden maakt ondanks uw hoge leeftijd?’ Moore antwoordde: ‘I don’t give a shit anymore.’ Misschien is dat wat jij vrijheid noemt.’

Dat adagium koestert u?

„Ja. Ik ga toch niet controleren hoe Gijs van Tuyl het doet in het Stedelijk? Ja, natuurlijk ben ik vrij. Ik heb geen museum meer. Ik heb geen macht meer, geen invloed, ik heb niks te makken, ik kan niks meer aankopen.”

U had weinig management-talent. Waarom ambieerde u überhaupt de post van museumdirecteur?

„Ik lijd aan plichtsbesef. Ik heb die verzameling, de Collectie Nederland, laten groeien – het ging door van Eindhoven naar Den Haag naar Amsterdam, als een estafette. Ik had het idee dat ik iets moest afmaken. Daarom is het boek over tien jaar aankopen van mij zo belangrijk. Alles wat ik gepoot heb staat daarin. Als ik het nu kritisch doorneem, denk ik: nou, zo slecht heb ik het nu ook weer niet gedaan.”

Maar bij het Stedelijk was u de kop van Jut.

„Dat wist ik van tevoren. Iemand moet de kop van Jut zijn.

„Ik had in 1985 directeur moeten worden, in plaats van Wim Beeren. Het was een strijd tussen hem en mij. Ik stond op nummer 1 van de sollicitatiecommissie. Maar mijn benoeming werd op het laatste moment verijdeld door vrienden van Beeren: Hans van Mierlo, Wim Crouwel, Benno Premsela. Zij pleegden een inbraak in de gemeenteraad.”

Een inbraak?

„Ja, zij lobbyden hoog op het stadhuis voor Beeren. Natuurlijk maakte Crouwel volgens mij een fout door voor Beeren te kiezen. Jan Schaefer, toen wethouder, zei letterlijk tegen me dat hij mijn relatie met kunstenaars verdacht vond. Hij was bang dat ik mijn vrienden zou voortrekken in het Stedelijk.”

En deed u dat in 1993 toen u directeur in Amsterdam werd?

„Nee, volgens mij niet. Maar je kunt moeilijk geen vrienden hebben! Toen ik begon als criticus vond ik dat je geen vrienden met kunstenaars moest worden. Ik wilde het objectief houden. Maar de praktijk is anders. Ik herinner me een tentoonstelling in Tilburg met werk van JCJ Vanderheyden. Hij vroeg: ‘Kom nou eens langs op mijn atelier.’ Zijn vrouw was erbij, ze was zwanger. En daar ging ik. Ik kwam in een piepkleine tweekamerwoning terecht in een ruïne in de binnenstad van Den Bosch. Daar woonden ze en daar werkte hij. Er stond een wiegje, een prachtig beschilderd houten aardappelkistje – ze waren straatarm – met daarin een baby’tje. Op dat moment besefte ik: natuurlijk moet je de kunstenaar in werkelijkheid kennen. Je moet hem zelfs zoveel mogelijk kennen.”

U onderhoudt vriendschappen, met Baselitz, Dibbets, vroeger met Judd, Fontana, Mario Merz, nu Tracey Emin, Damien Hirst, Günther Förg. U bouwt vertrouwensrelaties met ze op en onderhoudt die.

„Loyaliteit betekent heel veel voor me. Omdat ik denk dat je dat mensen verschuldigd bent. Dat heb ik zo geleerd van mijn vader en moeder. Ik voel me daar het beste bij. Het betekent niet dat ik kritiekloos ben. Claes Oldenburgh zei ooit tegen me: ‘Kritiek is de hoogste vorm van vriendschap.’ Zo is het.”

In uw teksten trekt u eindeloos veel cirkels rond kunstenaars, rond hun oeuvre, binnen hun oeuvre. En u laat ze liefst terugkeren naar de bron – of dat nu, zoals in het geval van Munch, geboortegrond is, of bij Damien Hirst kunsthistorische verwanten. Waarom vindt u oorsprong zo belangrijk?

„Ik houd van authenticiteit, van kunstwerken die uit de grond komen. Baselitz bijvoorbeeld komt duidelijk uit de Duitse gotiek. Buren is een volgeling van Matisse – al houdt hij er niet van als ik dat zeg. De minimalistische schilder Robert Ryman leeft nadrukkelijk in New York. Eén weekeinde verleidde zijn vrouw hem om mee te gaan naar het platteland. Hij stapt uit de auto en zegt: “Wat stinkt het hier!” Weet je wat die stank was? Boslucht! Wie zo reageert op boslucht, kan niet anders schilderen dan Ryman doet. Ikzelf moest eind jaren tachtig kiezen of ik voorgoed in Turijn zou gaan wonen of hier blijven. Ik kón niet verhuizen, want ik kan niet buiten de Noordzee.”

Maar u bent in Brabant geboren.

„Ik zeg altijd: ik ben geboren aan de rand van een delta.”

De rand van een delta? Eindhoven?

„Ik doe niet aan geografie. Ik heb in Leiden gestudeerd, mijn vader is er geboren. Ik voel mij artistiek gezien verwant met Holland. Maar als ik zomers bij Hedel de Maas oversteek, dan ruik ik de varkens. En voor mij is dat ook thuis.

„Henk van Os vroeg me eens na een diner: ‘Waarom zijn die Young British Artists zulke goede kunstenaars?’ Aanvankelijk wist ik het niet. Maar na een half uur wel. Omdat ze allemaal thuis zijn gebleven. Hun verbeelding is niet vervreemd geraakt van hun oorsprong. Hetzelfde geldt voor Kounellis. Toen Kounellis geboren werd en zijn ogen opendeed, was het eerste wat hij zag een icoon met een lampje ervoor. Zo stel ik het me voor. Die icoon met dat lampje is bepalend gebleven voor zijn werk.”

Heeft u zo’n eerste herinnering?

„Rembrandt. De Philipsfabrieken werden gebombardeerd in Eindhoven, 1944. We moesten allemaal naar de donkere schuilkelder. Er was een man met een bezemsteel, een stok, en op die stok had hij een kaars. Die kaars hield hij hoog in de lucht voor meer licht. Die man had een baard en zijn gezicht was een Rembrandt-gezicht. Ik was twee jaar oud. Maar dát zag ik. Ik was niet bang voor de bombardementen. Ik herinner me alleen dat verweerde gezicht in clair-obscur.”

„Toen ik jong was en in 1968 mijn eerste boek over Rembrandt schreef, wist ik alles. Twee jaar geleden schreef ik opnieuw een boek over Rembrandt, en ik bleek helemaal niks te weten. Niks!”

Dat is mooi.

„Dat is prachtig! Hoe ouder ik word, hoe minder ik weet. Dat nieuwe boek van Rembrandt is half-fictie geworden. Want zo is kunst: geschiedenis, een novelle, iedereen mag er zijn eigen interpretatie aan geven. (Wijst naar een schilderij van Baselitz aan de muur) Kijk: geklieder! Het is compleet belachelijk en tóch oneindig geheimzinnig.

„De tijd heeft mij ingehaald, mij voorbij gelopen. Dat gebeurt. Je ziet het overal in de wereld. En ik weet dat het een pendelbeweging is en dat wat ik goed vind op een gegeven moment wel weer terug komt, net als Clinton en Gorbatsjov terugkomen. Alleen: ik kan daar niet op wachten, want dan ben ik negentig.”