Misbruik moet gestraft

Uit wantrouwen tegen wijsgerige intuïties schuiven veel filosofen aan bij de empirische wetenschappen. Dat komt neer op het opgeven van filosofie, betoogt hoogleraar Wouter Oudemans in een nieuw boek.

Th. C. W. Oudemans: Omertà. Bert Bakker, 239 blz. € 26,95.

Omertà luidt de omineuze titel van het pas verschenen boek van Wouter Oudemans, een controversiële filosoof die sinds 1984 verbonden is aan de Universiteit Leiden, van 1991 tot 2006 als bijzonder hoogleraar. Hij aanvaardde dat ambt met de rede Afscheid, waarin hij onder meer beweerde dat , ‘de geschiedenis van de filosofie [...] voort vegeteert in het uitgeven en becommentariëren van bronnen die even goed droog hadden kunnen blijven’, en dat ‘het grondwoord van de hedendaagse universiteit informatisering is’. Wie daar destijds om moest lachen, zit anno 2007 toch een beetje voor aap achter zijn computer – zonder dat ding zou hij niet meer als wetenschapper kunnen functioneren.

Wanneer deze filosoof de naam voor de zwijgplicht van de maffia als titel van zijn boek kiest, is de bedoeling duidelijk: Omertà is een oorlogsverklaring. De academische filosofie is een maffia die de ‘echte filosofie’ – de titel van Oudemans’ vorige boek – verloochent, praatjes voor de vaak verkoopt en zichzelf in allerlei commissies in stand houdt.

De sleutel van dit boek is een keiharde interpretatie van de Duitse filosoof Martin Heidegger, wiens denkmethode zo ver mogelijk gevolgd wordt. Voor menige lezer is dit té ver, want helderheid lijkt hierbij een doodzonde. In Oudemans’ handen is filosofie geen dienstmaagd van de wetenschappen, noch een zelfstandige discipline waarin men nadenkt over waarheid, betekenis of oorzaak. Zijn filosofische inzet is niets minder dan de wetenschap in haar geheel de maat te nemen. En filosofie die een dergelijke ambitie en totalitaire aspiratie niet heeft, is vrijblijvend gekeuvel.

Oudemans’ inspiratiebron is de legendarische filosoof Rob van Dijk die eind vorige eeuw docent was aan de Leidse universiteit en ooit een voordracht heeft gehouden met de titel Technik: Planung oder planetarisches Geschick? Een retorische vraag, want het was duidelijk dat Heidegger, volgens Van Dijk, had laten zien dat er voor de mens helemaal niets meer te plannen viel. De techniek heeft ons in de nek, de appel die we eten is een genetisch gemanipuleerd gedrocht; het is slechts een kwestie van tijd dat de mens dat ook zal zijn.

Omertà bestaat uit verzamelingen aforismen met als rode draad dat Heideggers inzichten op vrijwel ieder gebied kloppen, zelfs waar die het meest omstreden zijn, namelijk op dat van de politiek. In 1933 had hij zich verbonden aan het nationaal socialisme; later beweerde hij dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen liberalisme en nationaal socialisme. Heidegger hoopte dat de nationaal socialistische beweging de techniek de baas zou worden. In plaats daarvan ontpopte zelfs Hitler zich tot een slaaf ervan.

Heideggers politieke denken wordt overschaduwd door de Holocaust, een uitwas van de techniek die gaskamers en massale deportaties mogelijk heeft gemaakt. Maar ontdaan van die schuldenlast klopt Heideggers kritiek op de liberale democratie: wie gelooft nog dat hij door een volksvertegenwoordiger gerepresenteerd wordt in het parlement? Wie durft te beweren dat verkiezingen meer zijn dan populariteitspolls die door de media geregisseerd worden? ‘Wie Heidegger gelijkmaking in de schoenen schuift, die reageert zich af op de boodschapper van het nieuws waar niemand zich aan kan onttrekken./ Dit betreft de eigenlijke indifferentiëring, die van het onderscheid tussen de technologisch gestuurde wereld en de mogelijkheid haar te overdenken./ Die mogelijkheid is opgezogen in de technologie.’

Dergelijke zinnen hebben Oudemans de bijnaam ‘de buikspreker van Heidegger’ bezorgd. In ‘Heidegger’ en ‘ik’ reageert Oudemans op dit verwijt. Wie Heideggers positie in eigen woorden probeert samen te vatten miskent de ware aard van diens filosofie. Het komt er juist op aan binnen de technologie de zin ervan te doorgronden. De techniek verzet zich daartegen en probeert het nadenken uit te bannen. De taal waarvan de techniek zich daarbij bedient, is die van vermenigvuldiging – almaar meer – en van economische ratio – groei ten koste van alles, mens en milieu incluis.

Maar juist de taal biedt de mogelijkheid om de techniek te overdenken, omdat woorden een oorsprong hebben van voor het begin van de techniek. Het komt er dus op aan goed te luisteren naar wat woorden ons te zeggen hebben. ‘Filosofisch spreken is niet primair spreken maar luisteren.’ Vandaar dat Oudemans de aanbeveling doet niet te blijven praten ‘binnen een ondoordachte en jou als vanzelf opgedrongen manier van spreken, maar de aanwijzingen te volgen naar een toon die misschien geschikt is om filosofisch te spreken over technologisch-wetenschappelijke taal, zonder daardoor te worden meegesleept en zonder daarbuiten te willen treden.’

Dit verklaart waarom Oudemans met zoveel respect de taal bejegent en overgevoelig reageert, wanneer die misbruikt wordt om te verhullen wat er echt aan de hand is. ‘De woorden behoren de denker niet toe, zij bespelen hem.’

Zelfs voor wie pijn in zijn buik krijgt van deze manier van denken, zijn Oudemans’ voorbeelden overtuigend en onthutsend. Zo citeert hij uit de regeringsverklaring van het Kabinet Balkenende IV, waarin gesproken wordt over ‘iedereen’, ‘wij’, ‘we samen’, ‘betrokkenheid’, ‘meedoen in de samenleving’. ‘De staatsleider’ vermijdt iedere verwijzing naar de Nederlandse staat, terwijl tussen de regels duidelijk is dat hij het alleen heeft over ‘wij Nederlanders’. Balkenende beroept zich op algemene humanitaire overwegingen die alleen voor Nederlanders blijken te gelden. Oudemans’ reactie ligt voor de hand: of we zijn Nederlanders en er kan van een internationale gemeenschap helemaal geen sprake zijn of er is een internationale gemeenschap, maar dan moeten we het Nederlanderschap opheffen. ‘Racisme, uitsluiting van anderen, is de fundering van iedere staat – en tevens onaanvaardbaar.’ Een poging van de Leidse filosofe Kleingeld om nationalisme te verenigen met kosmopolitisme wordt door Oudemans weggehoond als ‘libellosofie’.

Ook de Nederlandse Grondwet spreekt met dubbele tong. In artikel 1 staat: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.’ De passieve formulering verhult dat het de overheid is die zijn onderdanen gelijk behandelt, en dat die overheid bepaalt wat gelijke gevallen zijn; de wet discrimineert, omdat die zich beperkt tot degenen die zich in Nederland bevinden, terwijl artikel 1 suggereert dat discriminatie verboden is. En dat terwijl de overheid wel ongelijke behandeling mag uitvoeren, mits die gemotiveerd is: homoseksuelen mogen niet gediscrimineerd worden, pedofielen wel; onderscheid naar ras mag niet, op grond van inkomen en kapitaal wel. De grondwet is, aldus Oudemans, de uitdrukking van een bepaalde volksaard, die bestaat als discriminatie.

Maar pas echt boos wordt Oudemans als hij het over zijn collega-filosofen heeft. In Omertà neemt hij het onderzoeksprogramma ‘Rationaliteit’ van zijn eigen Leidse faculteit wijsbegeerte onder vuur, dat natuurlijk een goedbedoelde poging is om geld binnen te krijgen. Oudemans wijst deze instrumentele toepassing van filosofie uiteraard af en heeft het – inderdaad in steenkolen-Engels geschreven – programma aan een nauwlettende lezing onderworpen, die hij aan studenten heeft uitgedeeld. Zijn kritiek luidt dat het volslagen onduidelijk is hoe je rationaliteit zou kunnen onderzoeken, want welke andere middelen staan je ten dienste als filosoof behalve die ratio zelf? Dit onderzoek draait in een vicieuze cirkel rond.

De decaan, Frans de Haas, was indertijd not amused. Hij droeg Oudemans op zijn kritiek te staken, omdat die de werving van studenten in de weg zou staan, hetgeen koren op de molen van Oudemans was: de ratio in de gedaante van de economie legt met anti-rationele maatregelen een beproeving van de ratio het zwijgen op!

Dit boek staat vol opmerkingen die ergernis en onrust veroorzaken, zoals over de Cleveringa-lezing, kunst, en het vrije woord. De verleiding is groot het daarom maar te verzwijgen. Dat zou een vergissing zijn. De filosofie bevindt zich in een crisis. Ad Verbrugge, oud-student van Oudemans en iemand die inhoudelijk alles aan hem te danken heeft, schrijft het boek Tijd van onbehagen, waarover Oudemans opmerkt ‘Dat is je persoonlijke opinie en toch denk je te kunnen zeggen wat er aan de hand is.’ Het is dus geen filosofie, maar misbruik van de filosofie. Herman Philipse schrijft een boek van 555 pagina’s om aan te tonen dat Heidegger niet kan denken. Oudemans merkt op dat daar dan wel heel veel pagina’s voor nodig waren; had een half kantje niet volstaan? Opnieuw wordt filosofie misbruikt. Uit wantrouwen tegen wijsgerige intuïties schuiven veel filosofen aan bij de empirische wetenschappen. Dat nu, zegt Oudemans, komt neer op het opgeven van filosofie.

Het is een teken van deze tijd dat de media filosofen aan het woord laten die ze graag horen spreken en dat die filosofen vervolgens aan hun mediaoptreden autoriteit ontlenen binnen de universiteit. Oudemans, de laatste der Heideggerianen, valt buiten dat stramien. Je wil hem eigenlijk niet horen of lezen, maar wat hij zegt kan men niet negeren. Er moet een antwoord komen op Omertà. De grote verdienste van dit boek is dat het om een bezinning vraagt over wat filosofie kan en dus uiteindelijk is.

Oudemans’ Echte filosofie richtte zich op woorden uit een tijdperk dat technologie en evolutieleer nog niet bestonden. Een empirisch filosoof zal tegenwerpen dat taal ook een product van de evolutie is.

Betekent dat het einde van de filosofie? Wie het weet mag het zeggen.