Kinderen maken, dat is moeilijk

Vrouwen zijn steeds ouder als ze moeder worden.

Maar er is meer. Ook roken, overgewicht, hasjgebruik, slechter zaad en Chlamydia spelen mee.

De vruchtbaarheid van Nederlandse stellen is het afgelopen decennium sterk afgenomen. Ging 10 jaar geleden nog 1 op de 10 kinderwensers met vruchtbaarheidsproblemen naar een gynaecoloog, nu is dat 1 op de 7. Ook worden steeds meer kinderen met IVF verwekt (zie grafiek). Dat zegt hoogleraar voortplantingsgeneeskunde Jan Kremer van de Radboud Universiteit Nijmegen in zijn inaugurele rede, die hij vandaag zal uitspreken.

De toenemende vraag naar vruchtbaarheidsbehandelingen is niet te wijten aan ongeduld, zegt Kremer nadrukkelijk. „Al twintig jaar hanteren huisartsen de regel dat een stel minstens een jaar lang zelf moet proberen om zwanger te worden alvorens ze naar een gynaecoloog worden verwezen. In het verwijsbeleid is niets veranderd. We worden dus echt minder vruchtbaar. Dat is zorgelijk.”

Als belangrijkste oorzaak noemt Kremer de relatief hoge leeftijd waarop vooral hoog opgeleide vrouwen moeder worden. Is tot het dertigste jaar 90 procent binnen een jaar zwanger, op 38-jarige leeftijd is dat nog maar 40 procent, en boven het veertigste jaar nog slechts 5 procent.

Daarnaast veroorzaakt het toenemende overgewicht onvruchtbaarheid. Bij een Body Mass Index (BMI) van meer dan 30, ernstig overgewicht, gaan de vetcellen geslachtshormonen aanmaken die de eisprong en de zaadaanmaak remmen. Bij een BMI boven de 29 neemt de vruchtbaarheid per BMI-punt vier procent af, zelfs bij een normale menstruatiecyclus, zo bleek deze week uit onderzoek van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam.

Andere oorzaken van de afnemende vruchtbaarheid zijn volgens hoogleraar Kremer een toename van het roken onder vrouwen, van hasjgebruik (slecht voor het zaad) en van Chlamydia, waardoor de eileiders verstopt kunnen raken. Daarnaast is er een groeiende groep patiënten die is genezen van kanker maar door de behandeling onvruchtbaar is geworden.

Kremer heeft de indruk dat de zaadkwaliteit bij jonge mannen over het algemeen afneemt. „We weten niet precies hoe dat komt en doen er geen onderzoek naar. Maar we zullen niet veel afwijken van Denemarken, waar dit wel uit onderzoek is gebleken.” Er wordt wel geopperd dat oestrogenen in het milieu daarvoor verantwoordelijk zijn. Kremer verwacht dat de vruchtbaarheid van zowel vrouwen als mannen de komende jaren nog verder zal dalen.

Het vorige kabinet motiveerde de bezuinigingen op IVF door te stellen dat onvruchtbaarheid geen medisch probleem is. „Dat is het wel”, zegt Kremer beslist. „En het heeft een enorme impact. Onvruchtbaarheid is voor stellen een existentiële kwestie. Niet alleen hier, in Afrika is het net zo’n groot probleem.”

De toename van vruchtbaarheidsbehandelingen maakt dat dokters vaker dan vroeger betrokken zijn bij de totstandkoming van een zwangerschap. Dat plaatst ze van tijd tot tijd voor ethische dilemma’s. Een paar keer per jaar wordt een stel een vruchtbaarheidsbehandeling geweigerd omdat ‘het belang van het kind in het geding is’, vertelt Kremer. Bijvoorbeeld wanneer verstandelijk gehandicapten komen voor een vruchtbaarheidsbehandeling.

Daarnaast komen patiënten vaker met erfelijkheidsproblemen, zoals een borstkankergen of een darmkankergen. In het laatste geval is de kans 50 procent dat het kind het gen erft en op tienjarige leeftijd de gehele dikke darm moet laten verwijderen. „Een enorm dilemma”, weet Kremer. „Ouders kiezen nog wel eens voor een zwangerschap met donorzaad.”

In weerwil van de toegenomen inmenging van dokters in het zwanger worden, bepleit Kremer een grotere rol voor de patiënt in de eigen behandeling. „Dokters onderschatten hun patiënten”, vindt hij. „De gang van zaken in ziekenhuizen maakt patiënten klein, maar ze willen graag een actieve rol spelen in hun behandeling. Dat maakt het ook makkelijker om een ongunstige uitkomst te accepteren.”

Kremer wil de patient power bevorderen en heeft daartoe op internet een digitale polikliniek opgezet voor patiënten van zijn fertiliteitscentrum. Zij kunnen al hun gegevens op een beveiligde website terugvinden en online vragen stellen. „Daardoor zitten mensen zelf weer aan de stuurknuppel”, legt Kremer uit. „En in de spreekkamer blijft er tijd over om te praten over de dingen waar het echt om gaat: moeilijke keuzes, een ongunstige uitslag.”