Iedere slag op het bevroren meer herinner ik me nog

De vorige winter was de warmste in drie eeuwen, maar dit weekend gaat het vriezen.

Is het dan eindelijk, na tien ijsvrije winters, tijd om de schaatsen uit het vet te halen?

Eigenlijk weet ik helemaal niet meer waar mijn schaatsen liggen. Waarschijnlijk ergens in een berging, hopelijk in het huis waar ik nu woon: ze hebben sinds de twee laatste verhuizingen geen ijs meer gezien.

Daarvoor leidden mijn schaatsen een onregelmatig maar opwindend leven. Bij zachte winters konden ze twee jaar ongebruikt in het donker liggen, maar als het vroor, dan draaide ineens alles om ijs. Plotseling viel je vriendenkring in twee delen uiteen: de schaatsers en de niet-schaatsers. De tweede groep sprak je pas weer als het dooide.

Iedere minuut die maar beschikbaar was, moest er geschaatst worden. Ik deed dat zelf niet overdreven snel (tekort aan kracht), niet overdreven mooi („Je hebt wel een hele persoonlijke slag ontwikkeld”) en niet overdreven ver (nooit meer dan zestig kilometer). Maar wel veel, vaak en extreem gepassioneerd.

Want er is werkelijk niets mooier dan schaatsen. Op natuurijs. Kunstijsbanen zijn de hel. Toegegeven, een hel met ijs – maar daarmee is alles gezegd. Om de drie slagen word je er gestoord. Door voor je Vikings langs schietende ijshockeykinderen. Door muziek. Door hysterische hardrijders die je toeschreeuwen dat je in ‘hun baan’ zit. Door de warmte. Door machines die om de haverklap iets met het ijs moeten doen. En door die ellendige bochten, die elke keer weer opduiken als je net lekker in je slag zit – de techniek ‘pootje-over’ heb ik helaas nooit onder de knie gekregen. Al lang voor de grote dooi van de eenentwintigste eeuw inzette heb ik geen voet meer op een ijsbaan gezet. Ik heb nog nooit een klapschaats in het echt gezien.

Schaatsen doe je in de buitenlucht, op echt ijs met echte wakken en echte scheuren in echte kou. Op zoek naar verlatenheid en zoveel mogelijk stilte. Want als je helemaal netjes afzet, met de schaats recht op het ijs, maak je eigenlijk geen geluid. Er klinkt hooguit een kort, zacht krasje. Bewegen doe je ook amper: je deint heen en weer, duwt zachtjes met je voeten het ijs weg. Je doet bijna niets, je hoort bijna niets. Maar je schiet als een komeet vooruit. Ergens in die combinatie van trage, bijna lome bewegingen en hoge snelheid zit de verslavende werking van lang rechtdoor schaatsen.

Die lichamelijke sensaties worden nog versterkt doordat bij het schaatsen allerlei spieren pijn gaan doen waarvan je bij dooi vergeet dat je ze hebt. En – na afloop – het idiote gevoel dat je hebt als je weer met gewone voeten op gewone grond staat.

Minstens even belangrijk voor de natuurschaatser is het landschap. Dat heeft een bizarre, vervreemdende transformatie ondergaan – water hoort niet hard te zijn – maar juist daardoor kun je er helemaal in opgaan. Over dat harde water kun je wégrijden, de gewone wereld uit langs een route die normaal niet bestaat en waarvan je bovendien weet dat hij maar tijdelijk is.

Op een dag in 1987 kwamen alle puzzelstukjes van de schaatservaring bij elkaar. Ik hoefde niet naar school omdat het onderwijzend personeel een ‘materiaaldag’ voor zichzelf had uitgeroepen. Met mijn vader schaatste ik de hele dag door Waterland, ten noorden van Amsterdam. Iets voor de schemering viel bereikten we de IJsselmeerdijk. Ik wilde de andere kant zien, mijn vader bleef achter met een defect aan zijn Friese doorloper.

Op mijn knieën kroop ik tegen de dijk op. Eenmaal boven zag ik iets waarvan ik natuurlijk wist dat het er moest zijn, maar wat ik me onmogelijk had kunnen voorstellen. Het bevroren IJsselmeer, zich spiegelglad uitstrekkend zo ver als het oog reikte, doodstil en keihard en ijskoud, met alleen één lange barst die richting horizon liep. Een horizon die eigenlijk was verdwenen, want de lucht had dezelfde grijsblauwe kleur als het ijs. Nu ja, dezelfde honderden soorten grijsblauw. Er was geen mens, geen beweging te zien. Er was niets.

En het ijs was dik genoeg.

Iedere slag op het bevroren meer kan ik me nog voor de geest halen. Daarbij word ik enigszins geholpen doordat ik een paar maanden later op school een werkstuk maakte over ‘schoonheid’. Ik koos drie onderwerpen – op je zestiende heb je minstens één onuitwisbare indruk per maand. In oplopende mate van extase waren dat met onvermijdelijke hoofdletters Het Boek, Het Schilderij en Het IJs. het boek was de roman Het zwarte licht van Harry Mulsich, het schilderij was Cathedra, een reusachtig donkerblauw doek van Barnett Newman en het ijs was het IJsselmeer. Met geen van de drie is het erg goed afgelopen: de roman van Mulisch durf ik al jaren niet meer open te slaan omdat ik bang ben dat mijn herinnering geen stand zal houden, het doek van Newman is aan flarden gesneden door een gek met een mes en het ijs – al het ijs – is gesmolten.

Zo leid ik al winters een ijsloos bestaan, af en toe nutteloze kennis recapitulerend over waar en wanneer een mens allemaal schaatsen kan (op de grachten in Amsterdam, al heel snel in de buurt van Landsmeer, relatief laat op de Vinkeveense Plassen, op de Amstel langs de vaargeul, maar nooit op het Amsterdam-Rijnkanaal). Of denkend aan de vreemde plaatsen waar ik met schaatsen in mijn tas ben geweest (de dies natalis van de Universiteit van Amsterdam). Van mijn oude vrienden weet ik wie de schaatsers en de niet schaatsers zijn, maar bij mijn collega’s heb ik geen idee. Misschien wel niemand.

Mijn zoon van vier heeft nog nooit op ijs gestaan. Een jaar geleden scheelde het niet veel. Het had een nacht gevroren en op het zes centimeter diepe watertje in het park achter ons huis lag ijs. Dik genoeg om steentjes op te gooien, maar ik durfde hem er toch niet op te zetten. Morgen is het dik genoeg, beloofde ik. Tot in juni heeft hij hoopvol gevraagd of er vandaag dan eindelijk ijs zou liggen dat dik genoeg was.

Als het koud blijft, gaan we vanmiddag maar weer eens kijken.

Arjen Fortuin (36) is NRC-redacteur en is van vaders zijde Fries.

Zelf schaatsen op natuurijs? Volg de vorst op de voet via nrcnext.nl/mijnnext