Groei, groei en groei alleen

China houdt buitenlandse bedrijven scherp in de gaten, net als drie eeuwen geleden. Twee boeken over de moeizame kanten van een economisch succes.

Peter Ho: Dat is Chinees voor mij. De Geus, 192 blz. € 16,90

Garrie van Pinxteren: China. Centrum van de wereld. Balans, 240 blz. € 16,95

‘Wij hebben nooit waarde gehecht aan ingenieuze goederen, noch hebben wij enige behoefte aan producten van uw land’. Dat schreef de Chinese keizer Qianlong begin 19de eeuw aan de Britten, die er op gebrand waren handelsbetrekkingen met China aan te knopen. De Britse diplomaat die er voor die missie op uit was gestuurd faalde volkomen, omdat hij weigerde, zo gaat het verhaal, de kowtow voor de keizer uit te voeren; zich negen maal languit op de grond te werpen en daarbij het voorhoofd op de grond te slaan.

De anekdote staat in het vermakelijke boekje Dat is Chinees voor mij van Peter Ho. Zonder al te diep te gaan, belicht Ho de filosofie, geschiedenis, familieverhoudingen en sociale gewoonten van met name het traditionele China. Al is de kowtow definitief verleden tijd, toch is de sterke hiërarchie waar de Brit tegenaan liep in de communistische marktmaatschappij nog duidelijk aanwezig.

Ho maakt inzichtelijk hoe traditionele, met name confucianistische waarden doorwerken, maar de hedendaagse politiek laat hij vrijwel buiten beschouwing. Jammer, want hij is een expert op het gebied van de Chinese plattelandsontwikkeling en de daaraan gerelateerde beleids- en sociaal-economische vraagstukken.

Garrie Van Pinxteren, tot 2006 correspondent in China voor NRC Handelsblad en nu voor de NOS, brengt in China. Centrum van de wereld wél de maatschappelijke, politieke en economische ontwikkelingen in kaart, zonder een persoonlijk oordeel. Haar gesprekken met Chinese zakenlui, journalisten, rechts-activisten, fabrieksarbeiders, een arts, dorpsonderwijzer, professor, operadirecteur et cetera laten de dilemma’s van het moderne China zien, waarbij steeds weer blijkt hoe de communistische staat de touwtjes nog stevig in handen houdt.

De twee boeken vullen elkaar mooi aan. Bij Ho lezen we dat Europese landen, waaronder Nederland, al sinds het einde van de 18de eeuw de Chinese markt willen veroveren. Ze onderwierpen zich in eerste instantie gedwee aan de Chinese regels: zo was er destijds maar één haven opengesteld, moest de handel tussen oktober en maart plaatsvinden en was het leren van Chinees strafbaar. Een eeuw en vele oorlogen later waren de machtsverhoudingen omgedraaid en werd China gedwongen tot vernederende verdragen.

Van Pinxteren suggereert dat in de huidige internationale betrekkingen de Chinese regering de regie voert. Net als in de tijd van keizer Qianlong is er nog altijd weinig behoefte aan producten uit het buitenland: de export vanuit China is vele malen groter dan de import, en van de buitenlandse ondernemers die volop van China’s groei willen profiteren, wordt kennisoverdracht geëist. Kennis geeft immers de macht voor de toekomst. Elke interventie in het politieke beleid wordt afgewezen, en in hun winstbejag kijken westerse bedrijven niet al te nauw. Bedrijven als Google, Yahoo en Microsoft die China helpen bij het uitoefenen van de internetcensuur.

Anderzijds merkt Van Pinxteren op dat China nieuwe arbeidswetten aan het opstellen is die arbeiders meer beschermen. Die wetten zullen arbeid duurder maken en dus oefenen buitenlandse bedrijven druk uit om ze tegen te houden door te dreigen China te verlaten.

Daarmee belandt China in een dilemma. Zonder westerse investeerders is er geen economische groei en zal een nog groter deel van de bevolking werkeloos zijn, met sociale instabiliteit als gevolg. Tegelijk zorgt de industriële explosie voor meer milieurampen, maar het beter handhaven van de bestaande milieuwetgeving zou de productiekosten van de westerse bedrijven weer doen stijgen, en daarmee de kans op hun verdwijning naar elders – een vicieuze cirkel dus.

De vraag is in hoeverre China zelf iets kan en ook wil doen om die cirkel te doorbreken. Gaat de economische groei China echt boven alles, zodat het land in deze gevaarlijke omhelzing met het buitenland blijft? Van Pinxteren kan geen uitsluitsel geven, maar ze wijst erop dat China wel zelf zonder scrupules in Afrika, Zuid-Oost Azië en Zuid-Amerika investeert, waaronder in landen met dictatoriale regimes die het Westen boycot.

China’s standpunt is in alle gevallen hetzelfde: zoals het geen bemoeienis van anderen in de eigen politiek duldt, mengt het zich niet in de politiek van andere landen; het wil als gelijkwaardige partners samenwerken. En onder dat mom van gelijkwaardigheid slaat China zijn slag.

Veel Chinezen met een beetje geld die hun dromen in eigen land niet kunnen waarmaken, trekken nu naar Derde Wereldlanden (in 2005 werkten 82.000 Chinezen in Afrika). Daar beginnen ze, aldus Van Pinxteren, eigen bedrijfjes die de plaatselijke winkeltjes verdringen, óf ze werken voor grote Chinese bedrijven, die voor de Chinese groei de noodzakelijke olie, koper, nikkel, het tropisch hardhout, maar ook sojabonen en rijst in China importeren. Kennisoverdracht is er meestal niet bij, zodat de plaatselijke bevolking weinig baat heeft bij deze Chinese aanwezigheid, terwijl de grondstoffen van het land wel uitgeput raken.