Graaf Leicester, de onbegrepen messias

‘Voor weinig jaren’, schreef de nog maar kort tevoren als hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden benoemde Robert Fruin in 1862, ‘gewaagde onze letterkundige wereld van niets anders dan van Leicester en van de tegenwerking door hem van de Staten van Holland ondervonden. Het zijn de historische romans van Mevrouw Bosboom- Toussaint, aan wie de eer toekomt van de aandacht van het publiek in die mate op dit tijdvak gevestigd te hebben. Niet alleen als verdichting, ook als historische studie hebben zij groote waarde; zij kenmerken zich door een oorspronkelijke opvatting van den geest des tijds, die aanleiding tot denken en tot onderzoeken geeft’.

Het zal daarna niet vaak meer zijn voorgekomen dat een historicus de schrijfster van historische romans uitbundig prijst om haar professionele neus voor een ver verleden. Maar het ambacht van de geschiedvorser was ook nog jong – Fruin was pas de allereerste geschiedenisprofessor van het land.

Hij haalde in zijn opstel in De Gids Walter Scott nog aan, de vader van de historische roman. Scott had geschreven: ‘De historische roman is als de wichelaarsstaf die aanduidt waar de schat begraven ligt; dien te beuren is het werk der geschiedenis.’ Fruin vervolgde: ‘Zoo is het ook hier met de geschiedenis van Leicester’s bewind gegaan. De romancière heeft getoond, hoe merkwaardig voor onze geschiedenis dit tijdvak geweest is. Geschiedkundigen zijn op die aanwijzing afgegaan en hebben den schat althans gedeeltelijk aan het licht gebracht.’

Leicester – voluit Robert Dudley, graaf van Leicester (1532-1588) – was de man die in 1585 op gezag van koningin Elizabeth I aan het hoofd van een leger van 5.000 van Harwich naar Vlissingen zeilde om de tegen Spanje in opstand gekomen ‘Verenigde Nederlanden’ bij te staan. Hulp was geen overbodige luxe, maar leek bijna onbegonnen werk. Na de moord op Willem van Oranje zag het er voor de protestantse rebellen slechter uit dan ooit sinds 1568. Van de zeven gewesten die Filips II hadden afgezworen konden alleen Holland en Zeeland zich nog volledig ‘bevrijd’ noemen. De overige waren geheel of gedeeltelijk in Spaanse handen. En Spanje had in Parma intussen een door de wol geverfde legeraanvoerder, tegen wie een oprechte militaire amateur als Leicester geen schijn van kans had.

De Engelsman, die als een held, ja zelfs als een messias was binnengehaald (lees de verslagen van zijn ‘blijde incomsten’, en je begrijpt niet waar het sprookje vandaan komt dat Nederlanders een nuchter ras zouden zijn), had het bij de bovenlaag van de bevolking – de Staten, de reders, de regenten – al gauw verbruid. Hij mocht zich ‘landvoogd’ noemen, maar het was nooit hun bedoeling geweest dat hij aan die titel allerlei bevoegdheden zou ontlenen die de heren voor zichzelf hadden gereserveerd. Dieptepunt in hun ogen was natuurlijk zijn verbod op alle (sluik)handel met de Spaanse vijand – zoveelste bewijs dat hij met z’n puriteinse principes niet thuis hoorde in een koopmansland.

Leicester ging met louter slechte rapportcijfers de vaderlandse geschiedenis in, en pas drie eeuwen later stond dus een Nederlandse romanschrijfster op die haar wichelroede over een ogenschijnlijk al voorgoed afgesloten episode uit onze geschiedenis liet gaan, en een ‘messias’ ontdekte wiens goede, verlossende werken stelselmatig waren gefrustreerd door de botte, alleen op hun geldbuidel beluste Hollandse patriciërs die – trouweloos jegens het calvinisme – zelfs met roomse Spanjaarden nog wilden marchanderen. Rond 1850 verschenen drie delen eerherstel, in een cyclus die getiteld was ‘Vrouwen uit het Leicestersche tijdvak’. Dank zij mevrouw Bosboom-Toussaint ‘gewaagde’, om met Fruin te spreken, ‘onze letterkundige wereld van niets anders dan van Leicester’.

Het zinnetje – binnen een verhandeling van meer dan honderd bladzijden over de Amerikaanse historicus John Lothrop Motley die het ontstaan van onze Republiek ruimschoots had bejubeld – verraadt de betekenis van die boeken. Bosboom- Toussaint was niet alleen een gerespecteerde kunstzuster van mannen als Van Lennep, Oltmans, Schimmel, Potgieter, Busken Huet en niet te vergeten Groen van Prinsterer, ze was bovenal een bestsellerschrijfster.

Maar wie komt heden ten dage, anders dan met een soort literaire doodsverachting, nog door haar moeizaam gecomponeerde, overgedocumenteerde romans heen? Presser heeft haar Leicestercyclus in zijn Tachtigjarige Oorlog (1941) nog gehuldigd als ‘het beste staal van historische romankunst, dat haar generatie heeft opgeleverd’. Daarna zijn haar naam en haar reputatie langzaam maar zeker aan de vergetelheid gegund.

Ik moest aan haar denken vanwege een half-wetenschappelijk damesboekje van de Engelse Sarah Gristwood (Bantam Press, Londen, € 34,99) dat Elisabeth & Leicester heet, en waarin vooral de vraag aan de orde is of de Virgin Queen en haar opperstalmeester (‘dear Robin’) nou wel of niet ooit met elkaar naar bed zijn geweest. Eeuwige vraag. De Franse koning Hendrik III – de laatste Valois – schijnt al gezegd te hebben dat de twijfel of zijn tijdgenote werkelijk nog maagd was heel Europa bezig hield. En in een BBC-televisieserie over het beroemde vorstenleven, zag je het titelpersonage verwikkeld in een korte, maar heftige omhelzing met de man die Leicester speelt. Maar Elisabeth schrikt wakker: het was een droom.

Johan van Oldenbarnevelt, die in 1585 hare majesteit tevergeefs de soevereiniteit over de Nederlanden heeft aangeboden, moet de roddels al gekend hebben. En de kuise ‘Truitje’ Toussaint kan ze gedurende haar voorstudies in 1850 niet hebben gemist. Maar niets in haar Leicester verried een minnaar. Hij bleef een onbegrepen verlosser.