Geld verdienen aan milieuafspraken

Nieuwsanalyse

Ieder milieuakkoord creëert nieuwe subsidieregelingen en andere geldstromen. Daar pikken bedrijven, landen en adviesbureaus met alle plezier een graantje van mee.

De milieutop van de Verenigde Naties op Bali gaat om geld, veel geld.

Niet alleen op de klassieke manier van arme landen die een beroep doen op rijke landen, maar veeleer om een betrekkelijk ingewikkeld geschuif met miljarden via de particuliere sector. Bedrijven, consultants en niet-gouvernementele organisaties vormen coalities om geld binnen te halen en idealen onder te brengen.

Om te beginnen is er al enkele jaren een markt voor kooldioxide- uitstoot, het zogenaamde Clean Development Mechanism. Het zijn een soort melkquota, maar dan voor CO2. Het is een uitvloeisel van het bestaande milieuverdrag van Kyoto. Wat elektriciteitsbedrijven in Europa voor veel geld nog aan vermindering van uitstoot zouden kunnen verwezenlijken, kopen zij aan CO2-reductie in minder ontwikkelde landen in.

In die emissiehandel gaan inmiddels tientallen miljarden om. De omvang van de handel steeg van 8 miljard euro in 2005 naar 23 miljard euro vorig jaar, aldus de Wereldbank. Volgend jaar gaat het richting de 50 miljard. En als er een nieuw milieuverdrag komt, wordt dat alleen maar meer.

Intussen doen de vreselijkste verhalen de ronde. De Duitse associatie voor emissiehandel (BVEK) klaagt dat de helft van dat geld – meer dan 10 miljard euro – over de balk wordt gesmeten. „Het systeem moet dringend worden veranderd, dit is onaanvaardbaar”, zegt hun vertegenwoordiger.

Er is weliswaar een uitvoerend bestuur, in Bonn, dat criteria opstelt en goedkeurt. Maar neem een koelkastenfabriek in het Zuid-Chinese Shenzhen. Die begint een nieuwe productielijn en gaat schoner produceren en milieuvriendelijker koelvloeistof gebruiken. Dat had die fabriek toch al gedaan om koelkasten ook te kunnen exporteren, maar vervolgens vragen ze ook nog een subsidie aan in het kader van CO2-reductie. Immers, de nieuwe productielijn had ook smeriger gekund. En die CO2-subsidie krijgen ze keurig uitgekeerd.

Op deze manier heeft China alleen al volgens de organisatie CDM Watch vorig jaar 2 miljard euro cadeau gekregen. Volgens deze organisatie zouden zelfs überhaupt „de meeste projecten” ook zonder Kyoto-geld zijn verwezenlijkt. Van de totale hoeveelheid geld die in deze emissiehandel omgaat, haalt China meer dan 40 procent binnen. India en Brazilië krijgen ieder zo’n 15 procent. Amper industrialiserende landen, zoals bijvoorbeeld Indonesië, hebben voorlopig pech.

Maar ook voor die landen is geld in aantocht – het trefwoord van Bali is daarvoor REDD, Reducing Emissions from Deforestation and Degradation. Als experiment gaat de Wereldbank met een aantal donorlanden – waaronder Nederland – proberen om tropische landen met waardevolle bossen te betalen voor het niet kappen van dat bos. Dat is weliswaar nog vrij ingewikkeld om te vertalen in CO2-besparing, maar volgens deskundigen van de Wereldbank is het te doen. Al moet er nog wel emplooi gevonden worden voor honderdduizenden mensen die van de houtindustrie alleen al op Kalimantan leven. En er moet er ook nog iets bedacht worden voor landen die tot nu juist zuinig met hun hout zijn omgesprongen. Neem het Afrikaanse Kongo, waar de laatste jaren te veel burgeroorlog heeft geheerst om systematisch van houtkap werk te kunnen maken.

Een andere markt waar miljarden in omgaan, is die voor ‘vrijwillige’ CO2-reductie. Er is praktisch geen westers bedrijf meer waar de klant niet wat kan bijdragen ter compensatie voor zijn uitstoot van broeikasgas. Dat geld gaat naar fondsen die worden beheerd door ideële instellingen, bedrijven en overheden. Maar hoe wordt dat vervolgens besteed?

De vele standhouders in het congrescentrum van Bali hebben hier niet altijd vriendelijke woorden voor over. Een Zwitserse club – De Gouden Standaard geheten – werpt zich op als betrouwbare partner om projecten van het gewenste keurmerk te voorzien. „Als ons stempel erop staat, is integriteit op milieugebeid verzekerd”, zegt hun brochure. Een vergelijkend onderzoek naar keurmerken van de Tufts universiteit in de Amerikaanse staat Massachuchetts geeft die brochure vooralsnog gelijk, maar diverse consultants staan klaar om ook een graantje van de certificeringsmarkt mee te pikken.

En dan is er na de eerste principebesluiten van Bali nog een nieuwe geldstroom in aantocht, het zogenaamde Adaptatiefonds. Het idee erachter is dat, in de woorden van VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon, „klimaatverandering ons allemaal raakt, maar de armen veel meer dan de rijken”.

Dit adaptatiefonds moet geld overhevelen naar landen die te lijden hebben van een stijgende zeespiegel of grote droogte en die zelf geen middelen hebben om daar iets tegen te doen. Nederland doet hieraan mee, want in het regeerakkoord is 0,5 miljard euro opzijgezet voor het bestrijden van klimaatverandering en een stevig deel daarvan zal naar ontwikkelingslanden gaan. Maar een vaste en doorlopende geldstroom moet komen uit het Clean Development Mechanism.

Er komt een belasting van twee procent op dit CDM-geld, dat beheerd zal worden door de instelling die dat sinds het Kyoto-protocol doet, de zogeheten Global Environment Facility. 2 procent is voorlopig nog niet veel meer dan jaarlijks 1 miljard euro, maar diverse landen hebben plannen om deze pot sneller te vullen.

Maar ook hier geldt: wat is aanpassing aan veranderend milieu en wat is sowieso mooi meegenomen voor mensen in arme landen?

Ex-bokser Mohammad Ali is op Bali om de Britse organisatie Practical Action te vertegenwoordigen. Die club stamt af van de small is beautiful-beweging uit de jaren zeventig. Kleine projecten voor kleine gemeenschappen dus. Zijn conclusie na tien dagen Bali: „Milieu brengt zulke massa’s en bedragen in beweging dat je onze club voortaan wel erg gemakkelijk over het hoofd gaat zien.”

Lees meer over de klimaatconferentie in Bali op nrc.nl/klimaat