Elke avond weer diezelfde koppen

De overheid wil acht grote ‘stadsgezelschappen’ in het leven roepen om de versnippering en de publiekskrimp in de toneelwereld tegen te gaan. Duitsland dient als voorbeeld, en als schrikbeeld.

Meestal denk ik verbaasd: ‘Waar komen ze nou weer mee?’ Maar nu hebben de politici echt iets bedacht waar het theater mee vooruit kan,” zegt regisseur Ola Mafaalani, die in 2009 het Noord Nederlands Toneel overneemt.

Per 1 januari 2009, als de nieuwe vierjaarlijkse ronde van het ‘Subsidieplan’ (voorheen Cultuurnota/ Kunstenplan) begint, wordt het theaterlandschap ingrijpend gewijzigd. Alle kleinere theatergroepen verdwijnen uit het Subsidieplan en worden voortaan via het nieuwe podiumfonds NFP+ betaald. In het Subsidieplan blijven dan alleen de productiehuizen over, die beginnende regisseurs begeleiden, en de grote theatergroepen. Deze groepen vormen voortaan de ‘basisinfrastructuur’, in het veld al rap tot BIS afgekort. Kenmerk van een typische BIS-groep: als hij niet bestond, zou je hem zelf willen oprichten. Dat er in Amsterdam bijvoorbeeld een groot nationaal toneelgezelschap zit, is geen toeval: het is een evidente noodzaak.

Om allerlei problemen in het gesubsidieerde theater op te lossen – met als belangrijkste: krimpend publiek en het vermorsen van talent door de versnippering – moeten er acht grote stads- en regiogezelschappen komen: grote gezelschappen verspreid over het land, die het theater in hun buurt centraal gaan regelen. Naast de zes reeds bestaande grote gezelschappen, die met enige ingrepen zijn om te vormen tot ‘stadsgezelschap’ moeten er twee nieuwe bijkomen, in Limburg en Utrecht. Ze moeten het gezicht van het theaterland worden, de acht theaterkathedralen gevestigd op acht riante heuveltjes van subsidiegeld, van verre zichtbaar.

Op acht plaatsen in het land wordt dus momenteel koortsachtig gepraat, gebeld en getypt om in ieder geval op papier klaar te zijn voor een ereplaats in de BIS. Op 31 januari, middernacht, moet de aanvraag voor de stadsgezelschappen binnen zijn bij de Raad voor Cultuur, het adviesorgaan van de minister.

Opmerkelijk is dat het Rijk dit keer duidelijk de leiding neemt om het kunstlandschap anders in te richten. Natuurlijk, de theaterbisschoppen hebben eerst heel wat afgepraat over hoe het zou moeten. Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam en Evert de Jager van het Nationale Toneel claimen met enige recht dat het theater hier zélf over begonnen is. Maar de zaak is toch pas echt gaan bewegen toen de Raad voor Cultuur zich ermee ging bemoeien.

Dat zie je vooral in een belangrijke bijwerking van de stadsgezelschapsvorming: de samenwerking. Samenwerking van de beoogde stadsgezelschappen met de toneelscholen en de productiehuizen, om een mooie productielijn op te zetten waarlangs veelbelovende regisseurs doorstromen naar de grote gezelschappen. En de samenwerking met de schouwburgen, om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, en om de huisgroepen vaker thuis te laten spelen, om de zichtbaarheid in de stad te vergroten. Alle acht beoogde stadsgezelschappen maken flink werk van die samenwerking.

„Wij hebben dit bizarre systeem waarin de gezelschappen gescheiden zijn van de theaters,” zegt Rob Klinkenberg, die in 2009 Oostpool in Arnhem gaat leiden. „Daardoor zijn aanbod en afname nooit goed op elkaar af te stemmen. Bij het ontwerpen van de stadsgezelschap is dan ook met een schuin oog gekeken naar Duitsland, waar gezelschap en schouwburg wel één organisatie zijn.”

Jan Zoet, die als directeur van de Rotterdamse Schouwburg nauw gaat samenwerken met het Ro Theater, zet daar zijn kanttekeningen bij: „Ik kom net terug van een debat in Duitsland over stadstheaters, en daar zijn ze allemaal stikjaloers op het Nederlandse model. Hier heb je een fijn netwerk van snel wendbare kleine groepen, waardoor het experiment welig tiert. In Duitsland kan buiten de peperdure stadstheaters niets groeien. Er is daar nauwelijks een circuit van kleine zalen, zo kenmerkend voor ons systeem. En binnen de Duitse stadsgezelschappen kunnen nieuwe talenten moeilijk gedijen. Ze moeten een half jaar van te voren al een begroting en een Bauprobe inleveren. Bureaucratie verstikt de artistieke dromen. Laten we ervoor waken dat we niet al het talent in die stadsgezelschappen willen opbergen.”

Wat wil het Rijk? Eigenlijk heel veel. De stadsgezelschappen moeten een eigen podium hebben, ze moeten het hele jaar door toneelstukken maken, ze mogen niet afhankelijk zijn van één genie (als Ivo van Hove weggaat bij Toneelgroep Amsterdam, moet de groep kunnen voortbestaan). De nieuwe gezelschappen moeten beter wortelen in de stad of regio. Ze moeten vooral stad en ommelanden bedienen. Maar ze moeten ook nog op reis door het land. En eigenlijk ook nog een internationaal platform zijn. Ze moeten experimenteel en vooruitstrevend zijn, en nieuw Nederlands repertoire brengen, en nieuwe regisseurs overnemen van de productiehuizen om ze klaar te stomen voor het schouwburgtoneel. Maar ze moeten ook het klassieke repertoire brengen, en een breed publiek aan zich binden. En trouwens ook nog scholieren, via grote educatieprojecten.

Dat is een enorme verlanglijst, met vaak tegenstrijdige taken. De meeste artistieke leiders zijn daar optimistisch over - in ieder geval nu hun lot nog in handen van de politiek ligt. Maar sommigen zetten vraagtekens. Evert de Jager van het Nationale Toneel: „Zelfs als ons gezelschap twee keer zo groot zou zijn, en twee miljoen euro extra zou krijgen, zouden we nog niet zijn opgewassen tegen al die taken.”

,,Ik geloof niet zo in de maakbaarheid van de kunst,” zegt Melle Daamen, directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg en sinds augustus lid van de Raad voor Cultuur. De samenwerking tussen zijn schouwburg en Toneelgroep Amsterdam dient als lichtend voorbeeld voor de anderen: „De overheid heeft een ideaal beeld van Nederland en daar moet de werkelijkheid met een stortvloed van regeltjes aan worden aangepast. Zijn er wel acht gezelschappen van voldoende niveau? Zijn er wel acht steden met voldoende theaterpubliek? Is Toneelgroep Amsterdam wel een stadsgezelschap? Ik zou het eerder een nationaal gezelschap noemen, zo niet internationaal. Kleine clubs als Likeminds of Urban Myth hebben veel meer met de Amsterdamse straat.”

Evert de Jager daarentegen stelt: „Ik geloof niet in het Thorbecke-principe: ‘de overheid oordeelt niet over kunst’. Wie de geldstromen regelt, regelt ook de rest. De overheid bemoeit zich al zestig jaar met theater. Alleen lijkt het erop dat het Rijk nu scherpe keuzes gaat maken. En dat is zeer te prijzen.”

Rob Klinkenberg: „De bestuurlijke rompslomp wordt steeds erger. Ik heb de laatste jaren een grote bemoeienis zien opkomen vanuit de politiek. Kunst moet door een steeds fijnmaziger raster van cultuurpolitieke ideeën heen.”

Zoet: „Een grotere aanwezigheid in de stad is voor de band met het publiek goed. Maar waak je voor Duitse toestanden: daar hebben ze iedere avond een ander stuk, maar wel altijd van hetzelfde gezelschap. Zitten ze iedere avond tegen dezelfde koppen aan te kijken. Dat gaat vervelen.”