Een diploma is een pepernoot

‘De gelukkig klas’ van Theo Thijssen komt nooit meer terug. Leraren zijn gedemotiveerd, met dank aan heerszuchtige managers. Kunnen ouders en leraren het roer omgooien?

Pieter Hettema en Leo Lenssen: Van wie is het onderwijs? Balans, 240 blz. € 17,50

Jaap Dronkers: Ruggengraat van ongelijkheid. Mets & Schilt, 96 blz. € 12,50

Het lijkt geen toeval dat juist dit jaar De gelukkige klas van Theo Thijssen gratis door de stichting CPNB is verspreid. Het gaat daarin over de wederwaardigheden van een meester en zijn klas, in de jaren twintig van de vorige eeuw, die op een hartverwarmende manier worden beschreven. Je kán het lezen als een antwoord op de verwarring en zelfs ontreddering waaraan het onderwijs in Nederland ten prooi is. Terug naar de meester als autoriteit die weet wat goed is voor zijn leerlingen, die ook weet wat zij moeten leren. Kon het zo mooi en eenvoudig maar weer zijn. Maar die tijden keren, vrees ik, niet weer. Thijssen is dood en begraven. Naar hem terugverlangen is nostalgie. We zijn een eeuw verder.

De school is geen platte organisatie meer waarbinnen de docent koning in eigen klas is en die centraal – door de overheid – wordt aangestuurd. Integendeel, scholen hebben zich geprofessionaliseerd, zijn autonome organisaties – bedrijven – geworden die ‘inspelen op maatschappelijke vragen’, leraren zijn er werknemers. Van hen wordt nu niet zozeer verwacht dat ze lesgeven maar ‘bijdragen aan de doelstellingen van de organisatie’, die van school tot school enorm kunnen verschillen.

Veel leraren lijken dit nog niet helemaal te beseffen. Ze voelen wel dat ‘de managers’ het hebben overgenomen als die tegen ze zeggen dat het afgelopen is met het klassikale lesgeven en dat ze moeten gaan ‘samenwerken in teams’, want dat is een aanslag op hun autonomie. En inderdaad, die autonomie bestaat in veel ‘onderwijsinstellingen’ niet meer. In de bundel opstellen met de goed gekozen titel Van wie is het onderwijs? leggen de samenstellers, Pieter Hettema en Leo Lenssen, helder uit dat de verzelfstandiging en professionalisering van de school een ‘stille revolutie’ is geweest die grotendeels langs de leraren is heengegaan, en dat, zeggen ze er eerlijk bij, mag je schooldirecties en -besturen verwijten. Die hebben verzuimd uit te leggen welk proces gaande was, en zitten nu met de gebakken peren: een ontevreden, mokkend en rebellerend docentencorps.

Een veelgehoorde klacht van leraren is dat de nieuwe school te veel geld zou besteden aan bureaucratie en managers, geld dat dus niet naar het onderwijs gaat. Uit het stuk van Leo Lenssen blijkt dat dat waar is: ‘Scholen hebben noodgedwongen hun eigen bureaucratie ingericht’. Ze moeten nu immers zelf regelen wat de overheid vroeger voor ze deed, en trekken daarvoor de vereiste deskundigheid aan: medewerkers voor het financiële beleid, voor het personeelsbeleid, ICT-medewerkers, systeembeheerders, deskundigen om zorgleerlingen te begeleiden (want scholen hebben een ‘zorgplicht’), en interim-managers om het ‘strategisch beleidsplan’ voor de komende jaren op te stellen.

Zeker voor leraren is Van wie is het onderwijs? een verhelderend boek, juist omdat de school waar zij (vaker dan hij) werkt, niet meer de school is van Thijssen, of de school waarop zij zelf vroeger zat. Maar betekent dat ook dat het onderwijs niet meer van de leraar is maar van, godbetert, de managers?

Volgens de ‘klassieke’ economiedocent Ton van Haperen wel. In de bundel legt hij in een goed geschreven stuk uit dat die manager bezig is de leraar ‘te wurgen’. Met de budgettering van scholen (lumpsum-financiering) en de komst van de manager krijgt, zo betoogt hij ‘de platte school van weleer hiërarchie [...] Vroeger deed de conrector het rooster, het eindexamen, de absenten, het uitdelen van straf en gaf daarbij ook nog les. Nu zijn dat stuk voor stuk aparte baantjes en promotiekansen voor het zittend personeel.’ Dat kost allemaal geld. Wie dat betaalt? ‘De leraar en zijn klas natuurlijk! Het maandsalaris is best aardig, maar per leerling per uur is de Nederlandse leraar de goedkoopste in de westerse wereld.’

Erudiete vakleraar

Van Haperen pleit voor een herwaardering van de ‘erudiete vakleraar’, die op veel scholen inmiddels is verdreven door ‘tweedegraders’ die tijdens hun opleiding vooral hebben geleerd het ‘leerproces’ te begeleiden. Deze ‘dunne leraren’ die weinig anders zouden kunnen dan voordragen uit het schoolboek, staan ‘met het zweet op de rug voor de klas en zoeken verlichting in managementtaken’.

Van Hapereren stelt de vraag ook: ‘Wie richt de school in? De manager met zijn organisatiedoelen of de docent met zijn vak?’ Daarover wordt op dit moment ongetwijfeld op vele scholen intern strijd gevoerd. Duidelijk is dat de managers de randvoorwaarden zullen gaan bepalen. Hoeveel onderwijsinhoudelijke macht zij zich verder zullen toe-eigenen, lijkt mij afhankelijk van de ‘professionals’. Van Haperen is pessimistisch: ‘Managers beheren de portemonnee, zijn op een missie, verwijten leraren leerlinggedrag (meestgehoorde klacht van onderwijsmanagers over hun personeel) en kiezen voor een personeelsbeleid dat meedenkers beloont en opponenten kwalificeert als terroristen’.

De leraar behoudt natuurlijk wel de keus te gaan werken op de school die bij hem past, want ‘inspelen op de maatschappelijke vraag’ betekent meer diversiteit. Wordt het een klein categoriaal gymnasium in Zeist, dat het frontale lesgeven erin houdt, of een zwarte VMBO-school in Amsterdam-West die zo vermetel is te experimenteren met Nieuw Leren?

Wie voor dat zwarte VMBO kiest, leze eerst Ruggengraat van ongelijkheid van Jaap Dronkers. Deze hoogleraar schrijft over de mogelijkheden de tweedeling in het onderwijs – kansrijk, kansloos – te verkleinen, maar somt ook de beperkingen op. De grote waarde van zijn beknopte maar doorwrochte, op onderzoek gebaseerde tekst, is dat er vooroordelen sneuvelen. Zo wijst Dronkers onder meer op de ‘acht fouten’ die de afgelopen vijftig jaar in dit opzicht door vooral sociaal-democraten zijn gemaakt. Bijvoorbeeld de invoering, vanaf de jaren zeventig, van de zogenaamde zachte didactische werkvormen, ‘die onderwijsmethoden waarbij de startniveaus en de ontplooiingsmogelijkheden van de individuele leerling centraal staan’ – in zijn uiterste consequentie Iederwijs.

Bij de harde didactische werkvormen staan juist de gewenste eindniveaus centraal – klassiek, frontaal onderwijs.

Wel, die zachtere werkvormen blijken de arbeiders- of migrantenkinderen dus niet te helpen. Dronkers: ‘Zelfontplooiing en ontdekkend leren veronderstellen voldoende kennis omtrent de gewenste richting van de ontplooiing of het object van de ontdekking. Als de grondslagen hiervan niet in het ouderlijk huis zijn geleerd, dan helpen de zachtere werkvormen weinig om die achterstand effectief in te halen.’

Integendeel, de nieuwe werkvormen zetten de kinderen ‘zonder culturele bagage’ op achterstand, zoals ‘uitstel van differentiatie’ (de middenschool) dat ook bleek te doen. Kinderen uit de lagere klassen werden zo gestimuleerd langer algemeen vormend onderwijs te volgen, waardoor meer bevoorrechte leeftijdsgenoten een grotere voorsprong namen. Omdat ook op die middenscholen weer zachte werkvormen werden ingevoerd, werd het voor arbeiderskinderen steeds moeilijker het onderwijs succesvol te volgen. Tenslotte werden de arbeiderskinderen ook nog eens afgesneden van een beroepsopleiding, terwijl ze tot dan toe vooral met zo’n opleiding hogerop kwamen.

Grofvuil

En er is nog een goede reden ‘eindtermen en eindniveaus’ niet te snel bij het grofvuil te zetten. Juist op scholen met moeilijke leerlingen, die van huis minder hebben meegekregen, hebben leerkrachten de neiging, onder druk van de ‘vergelijkende beoordeling’, hun onderwijsdoelen onbewust naar beneden bij te stellen. Dus heeft dat soort scholen baat bij duidelijke maatstaven voor het te bereiken niveau.

Maar nog nog meer baat hebben ze, zo blijkt uit Dronkers’ boek, bij ‘optimale onderwijscondities’. Waarom? Omdat dit soort leerlingen meer onderwijstijd nodig heeft (om iets te leren) dan bevoorrechte kinderen, en juist op deze scholen kostbare onderwijstijd verloren gaat aan het oplossen van allerhande problemen, zowel in als buiten de klas.

Dat werkt demoraliserend voor docenten. De goede vertrekken, er komen minder goede voor terug, de achtergeblevenen raken nog meer gedemoraliseerd, en zo hollen onderwijsproces en schoolklimaat achteruit. ‘Daarom hebben scholen met ondermaats presterende leerlingen vaak slechtere onderwijscondities dan scholen met goed presterende leerlingen.’

Dronkers pleit ervoor juist op deze moeilijke scholen de onderwijscondities te verbeteren, want ‘hier valt bij het bestrijden van ongelijke onderwijskansen het hoogste rendement te halen.’

Hoe nu verder? Er valt, deze boeken lezend, wel een synthese te maken. Het onderwijs kampt met motivatieproblemen van leraren, een dreigend lerarentekort, en een ontzagwekkende tweedeling: het zwarte gat waarin leerlingen afkomstig uit lagere- of migrantenmilieus vallen als zij op een VMBO of ROC terechtkomen. Daar worden diploma’s uitgereikt als pepernoten, ze hebben geen enkele betekenis meer, iets dat werkgevers op termijn wel doorkrijgen en waar die leerlingen uiteindelijk dus niet mee geholpen zijn.Er moeten voor leerlingen uit kansarme milieus dus weer ruime mogelijkheden komen om ‘te stapelen en omwegen te maken’, want daarmee zijn vooral zij geholpen.

Dronkers, en ik ben het met hem eens, pleit voor schoolbesturen gevormd door leraren, ouders, en ‘maatschappijvertegenwoordigers’, want daardoor gaan ouders en leraren zich weer bij hun school betrokken voelen. Hij pleit daarnaast voor een ‘openbare meting van eindresultaten’, dat wil zeggen van de kennis en de vaardigheden van hen die een diploma hebben gekregen. ‘Een school die onder de maat presteert, dient door de onderwijsinspectie onmiddellijk gesloten en failliet verklaard te worden.’ Dus geen ellenlang ‘verbetertraject’, aangezien leerlingen hun schooltijd ook niet in een verbetertraject over kunnen doen. En als je de eindresultaten meet, kun je het onderwijsproces, welke vorm men ook kiest, gerust aan de scholen, dus aan de leraren, overlaten, want ‘eigen verantwoordelijkheid van professionals is een belangrijke voorwaarde voor een effectieve school.’

En als het ergens aan lijkt te ontbreken, sinds die stille revolutie, dan is het die eigen verantwoordelijkheid.

Rectificatie / Gerectificeerd

De gelukkige klas

In het artikel Een diploma is een pepernoot (14 december, Boeken, pagina 9) staat dat de CPNB 700.000 exemplaren van De gelukkige klas van Theo Thijssen verspreidde. De verspreiding was echter een actie van de openbare bibliotheken.